Posts tonen met het label economie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label economie. Alle posts tonen

donderdag 5 mei 2022

Nederland moet solidair zijn met Europa én met Oekraïne

Sinds het begin van de oorlog in Oekraïne hebben de landen van de Europese Unie € 48 miljard voor de aankoop van fossiele brandstoffen naar Rusland overgemaakt, ondanks de boycot van Russische producten. Dat is gemiddeld € 700 miljoen per dag. Dit is voor Poetin een belangrijke financieringsbron om de oorlog voort te zetten. Van deze geldstroom heeft 56% betrekking op aardgas, 42% op olie en 2% op kolen.

Het stoppen met deze geldstroom, en dus stoppen met de invoer van aardgas uit Rusland zou een belangrijke bijdrage leveren aan het verkorten van de oorlog. Nederland heeft onlangs het dappere besluit genomen om de afhankelijkheid van Russisch aardgas te verminderen. Maar dat zet weinig zoden aan de dijk. Nederland importeert op jaarbasis slechts 6 miljard kuub Russisch aardgas, tegen 168 mrd kuub voor de hele Europese Unie. Het zou dus veel meer effect hebben als andere landen ook zouden afzien van de invoer van Russisch aardgas, met name de grotere landen als Duitsland.

 Maar kan dat zo maar? Bondskanselier Olaf Scholz heeft er op gewezen dat een ban op Russisch aardgas de Europese economie in een recessie zou storten, zonder dat de oorlogvoering van Poetin er echt last van zou hebben. Vanwege de economische gevolgen is er daarom in Duitsland veel weerstand tegen het afzien van aardgas uit Rusland. Begrijpelijk. Het is daarom zaak om te zoeken naar alternatieve leveranciers. En daar zou Nederland een rol kunnen spelen. In Groningen zit nog iets meer dan 500 miljard kuub aardgas onder de grond. In het topjaar 2013 produceerde Nederland zo’n 82 miljard kuub. Dat is nu teruggevallen tot 21 miljard kuub. Maar als de productie weer zou stijgen tot het niveau van 2013, zou daarmee jaarlijks 60 miljard kuub aardgas op de Europese markt komen. Die hoeven wij dan niet uit Rusland te importeren. Daarmee zou de Nederlandse productie ruim een derde van de Europese invoer uit Rusland compenseren, een belangrijke stap om Europa helemaal van het Russisch aardgas af te halen. Ondertussen kan gezocht worden naar duurzamere oplossingen.

Maar hoe zit dat dan met de aardbevingen in Groningen? Dat was destijds een belangrijke reden om de productie in Groningen te verminderen. Op zich terecht: Groningen is tot nu toe schandalig behandeld en velen wachten nog steeds om maatregelen om hun huizen te herstellen en veilig te maken. Het is daarom rechtvaardig als de opbrengsten van de extra aardgas productie in eerste instantie naar Groningen gaan. Het gaat dan om zo’n € 100 mln per dag. Daarmee kan veel van de schade aan huizen en gebouwen hersteld worden.

En het klimaat dan? Minister Jetten zal zeggen dat dit ten koste van het klimaat gaat. Ten onrechte! Het is voor het klimaat beter als aardgas gestookt wordt in plaats van olie, steenkool en bruinkool, hetgeen bijvoorbeeld in Duitsland de brandstof is die gebruikt wordt als het aardgas weg zou vallen. Met een groter aanbod van Nederlands aardgas zullen bovendien de aardgasprijzen dalen. Dit heeft twee effecten. Ten eerste zal Poetin ook getroffen wordt in de resterende uitvoer van aardgas. Ten tweede leidt een lagere gasprijs tot een lagere inflatie en verkleint dat het koopkrachtverlies waar velen nu last van hebben. Het effect op de aardgasprijzen zal al merkbaar zijn vanaf de aankondiging om meer gas te produceren.

Nederland moet ruimer denken en solidair zijn met Europa en met de Oekraïne. En uiteindelijk ook met Groningen!

Sammy van Tuyll

www.libdem.nl

woensdag 9 februari 2022

Rutte IV, tegenovergestelde van Rutte II

Het kabinet Rutte IV is nu vier weken bezig. Enkele bewindslieden hebben al laten zien waar zij voor staan, van andere valt dit nog te bezien en sommige, zoals de minister van Justitie, zijn direct al door de mand gevallen. In sommige opzichten lijkt het kabinet Rutte IV het tegenovergestelde van Rutte II. Ik heb het dan niet over de langste formatie ooit (2021) tegenover een korte - en veel te snelle - formatie in 2012. Maar vooral over het voorgenomen beleid. Uit het coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitzien naar de toekomst’ blijkt dat dit kabinet van plan is een aantal fouten van Rutte II ongedaan te maken.

Dat geldt in de eerste plaats voor het begrotingsbeleid. Rutte II voerde drastische bezuinigingen door. De verzorgingsstaat werd daarbij grotendeels ontmanteld. Het kabinet was van mening dat dit goed zou zijn voor de economie, ondanks de waarschuwingen van veel economen dat je niet in een recessie op de rem moest trappen. LibDem was destijds de enige politieke partij die zich tegen dit desastreuze beleid uitsprak. De rest slikte het als zoete koek. Het kabinet Rutte IV doet precies het omgekeerde van Rutte II: er wordt nu gesmeten met geld. En dat terwijl de economie oververhit raakt, de arbeidsmarkt gespannen is en de inflatie aantrekt. In beide gevallen een procyclisch beleid; in beide gevallen even slecht voor de economie.

Met het diametraal andere begrotingsbeleid van Rutte IV worden een aantal maatregelen uit Rutte II teruggedraaid. Zo wordt de volstrekt onzinnige verhuurdersheffing van Rutte II binnenkort afgeschaft. De verhuurdersheffing is een belasting op sociale woningverhuur die sinds 2013 geheven werd. Als gevolg van de verhuurdersheffing moesten woningbouwcorporaties jaarlijks zo’n 1,7 mrd ophoesten. Daardoor hielden zij minder geld over om te investeren in nieuwbouw. Uit onderzoek blijkt dat zonder de verhuurdersheffing de corporaties tussen 2013 en 2023 zo’n 93.500 extra woningen hadden kunnen bouwen. De huidige wooncrisis is dus voor een groot deel veroorzaakt door het beleid van Rutte II. Terecht dat de verhuurdersheffing wordt afgeschaft, alleen merkwaardig dat deze maatregel pas in 2023 in gaat.

Een andere maatregel die teruggedraaid wordt is het leenstelsel voor studenten. Rutte II had – met steun van alle middenpartijen in de Kamer - de basisbeurs afgeschaft en het leenstelsel ingevoerd, waarbij studenten voor hun studiekosten bij het Rijk konden lenen en aldus een studieschuld opbouwden. Met name die studieschuld is voor velen bezwaarlijk omdat zij dan na afstuderen niet of minder kunnen lenen om een woning te kopen.

Helaas draait Rutte IV niet alle verkeerde maatregelen van Rutte II terug. Zo heeft Rutte II in 2015 allerlei taken van het Rijk naar de gemeenten overgeheveld onder het motto ‘meer doen met minder geld’. De maatregel ging met forse bezuinigingen gepaard. In de praktijk is gebleken dat het ‘minder doen met meer geld’ is, waardoor veel gemeenten nu met aanzienlijke tekorten op de begroting te kampen hebben en met name de Jeugdzorg geheel ontregeld is. Tevoren was duidelijk dat dit een verkeerd beleid was dat veel schade zou opleveren. LibDem heeft dat destijds herhaaldelijk betoogd en helaas zijn die voorspellingen uitgekomen. Daarover meer in een volgende blog.

 

Sammy van Tuyll

www.libdem.nl

zaterdag 11 september 2021

Een rationeel klimaatbeleid is urgent!

Het laatste rapport van het IPCC over het klimaat heeft ons weer wakker geschud. Het is urgent om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Essentieel is daarbij ook een beleid te voeren dat zowel effectief, rechtvaardig als economisch verantwoord is. En daar is op dit moment geen sprake van. Niet in Nederland en niet in Europa.

Het beleid dat tot nu toe in Nederland gevoerd wordt is ineffectief en legt de lasten eenzijdig bij de burgers en sommige bedrijven. Geen wonder dat veel mensen afhaken en uit frustratie op klimaatsceptische partijen stemmen. Wist u bijvoorbeeld dat de energiebelasting voor kleinverbruikers (gezinnen) 28,9 cent per m3 bedraagt en voor grootgebruikers 4,3 cent per m3? Dat is niet alleen onrechtvaardig, maar ook inefficiënt! Dat moet natuurlijk gelijkgetrokken worden. Maar niets daarover in het ‘Document op hoofdlijnen’ dat VVD en D66 geschreven hebben als aanzet voor een nieuw regeerakkoord.

Essentieel is het daarom een rationeel klimaatbeleid te voeren dat generiek werkt ten opzichte van alle sectoren. Dat wil zeggen een beleid dat consumenten en bedrijven gelijk behandelt, dat effectief is voor het klimaat en de concurrentiepositie van bedrijven niet onnodig ondermijnt. Een dergelijk rationeel beleid moet Europees gevoerd worden en bestaat uit drie elementen.

Ten eerste moet er een algemene heffing komen op alle CO2 uitstoot uit fossiele bron (kolen, olie gas) die door de overheden in Europa wordt opgelegd en voorspelbaar oploopt. Een dergelijke heffing kan eenvoudig geheven worden aan de Europese buitengrens wanneer de fossiele brandstoffen Europa binnen komen of bij de bron wanneer zij uit de grond worden gehaald. Er bestaat immers een vaste relatie tussen de fossiele bron en de uitstoot van CO2. Zo levert iedere molecuul aardgas bij verbranding één molecuul CO2 op.

Ten tweede moet de opbrengst van een dergelijke heffing teruggegeven worden aan de burgers in de vorm van lastenverlichting, zodat de koopkracht gelijk blijft. Dit kan door ofwel de BTW ofwel de inkomstenbelasting te verlagen, dan wel een combinatie van beide. Het effect zal zijn dat goederen en diensten die met veel CO2-uitstoot gepaard gaan - zoals vliegreizen - duurder worden en de niet-vervuilende producten goedkoper. Deze teruggaaf beschermt de minder draagkrachtigen beter dan het voorstel van de Europese Commissie ”Fit for 55” dat medio juli verscheen.

Ten derde moet het niet zo zijn dat bedrijven hun productie naar buiten Europa verplaatsen omdat daar geen heffing wordt opgelegd. Een dergelijk ‘koolstoflek’ kun je voorkomen door aan de Europese buitengrens een correctiemechanisme in te voeren, de Border Carbon Adjustment (BCA). Een dergelijk mechanisme houdt in dat er bij invoer van goederen van buiten Europa gekeken wordt hoeveel uitstoot van CO2 met de productie en het vervoer van die goederen gemoeid is geweest en vervolgens wordt die uitstoot met hetzelfde tarief belast als in de Europese Unie geldt. Als bijvoorbeeld 1000 ton staal uit Zuid-Korea wordt ingevoerd, wordt berekend welke CO2 uitstoot met de productie en het vervoer is gemoeid en dat wordt vermenigvuldigd met het in Europa geldend tarief. Omgekeerd kan bij uitvoer van staal naar landen buiten Europa, de heffing die in Europa betaald is, teruggegeven worden. Met een dergelijk BCA kan in Europa een streng klimaatbeleid gevoerd worden, zonder dat dit ten koste gaat van de concurrentiepositie van de Europese economie, integendeel.

De meeste economen zijn voorstander van het hier geschetste rationele klimaatbeleid, omdat het de enige manier is om een zowel effectief als rechtvaardig beleid te voeren, dat bovendien minder bureaucratisch is en minder gevoelig voor lobbyisten dan het huidige beleid. LibDem is al vanaf 2009 voorstander van een rationeel klimaatbeleid. Zie bijvoorbeeld hier.

De voorstellen van de Europese Commissie in “Fit for 55” gaan weliswaar voor een deel in de richting van een rationeel klimaatbeleid, maar niet helemaal en blijven daardoor ineffectief. Zo wordt het emissiehandelssysteem gehandhaafd, hetgeen bureaucratisch is en veel minder voorspelbaar is dan een algemene heffing. Ook worden de verschillende sectoren verschillend behandeld, hetgeen niet alleen tot willekeur leidt, maar ook ten koste van de effectiviteit gaat. Dit zal bovendien de nodige onderhandelingen vergen. De BCA wordt wel voor de invoer van sommige goederen ingesteld, maar niet voor de uitvoer, waardoor Europese bedrijven die voor de wereldmarkt produceren door een streng klimaatbeleid benadeeld worden. Het halfbakken beleid van de Europese Commissie is dus willekeurig, bureaucratisch en zal niet tot de gewenste reductie van de CO2 uitstoot leiden.

Alleen een rationeel klimaatbeleid zoals hierboven geschetst is effectief, rechtvaardig en economisch verantwoord; alleen daarmee kan op een serieuze wijze de opwarming van de aarde worden tegengegaan. Dit zou de kern van het klimaatbeleid in het regeerakkoord van het te vormen kabinet moeten zijn. Te vrezen valt dat dat niet zal gebeuren.  

Sammy van Tuyll

www.libdem.nl 

maandag 19 mei 2014

Beter voor milieu dan GroenLinks, beter voor de economie dan de VVD


In het verkiezingsspotje van LibDem dat de afgelopen weken op TV te zien was, wordt gezegd dat het beleid dat LibDem voorstelt beter voor het milieu is dan GroenLinks en beter voor de economie dan de VVD. Veel kiezers vragen mij hoe dat kan. Daarom is het goed dat nader toe te lichten.

Luchtvervuiling houdt niet op aan de grens, daarom is het alleen zinnig om het milieubeleid – dan wel het energiebeleid – en het beperken van de uitstoot van broeikasgassen in Europees verband te voeren. Het huidig milieubeleid is niet effectief. Het bestaat uit regelgeving – zoals normen voor producten en het verbod op gloeilampen- subsidies en een ingewikkeld systeem van handel in emissierechten. Het laatste houdt in dat bedrijven – niet alle, maar in sommige bedrijfstakken – emissierechten voor CO2 toegekend krijgen. Als zij overhouden, mogen zij de resterende rechten verkopen; als zij tekort komen, moeten zij rechten bijkopen. De prijs van de emissierechten schommelt daardoor nogal en is de laatste jaren, mede als gevolg van de recessie, laag geweest, te laag om de uitstoot van broeikasgassen echt te beperken.

LibDem vindt dat de enige manier waarop je serieus de uitstoot van broeikasgassen kunt beperken, een heffing moet zijn op alle uitstoot van CO2 uit fossiele brandstoffen. Dat moet een heffing zijn die geleidelijk op een voorspelbare wijze oploopt, zodat je weet wat over tien jaar de prijs van de CO2 zal zijn. Die moet zo hoog zijn dat de uitstoot van CO2  uit fossiele brandstoffen fors beperkt wordt. Bedrijven en consumenten zullen daar op anticiperen, zodat zij zuinige producten maken en – ook belangrijk – er op een zuinige manier mee om zullen gaan. Het gebruik van duurzame energie wordt dan relatief goedkoper, zodat deze aantrekkelijker worden. Subsidies daarvoor zijn niet nodig. Windmolens draaien dan niet meer op subsidie (vaak weggegooid geld), maar alleen op wind. Voorwaarde is wel dat de opbrengsten die de overheid binnen krijgt in de vorm van lastenverlichting aan burgers en bedrijven teruggegeven wordt, zodat de koopkracht niet aangetast wordt. Europa kan zo een effectief milieubeleid voeren, ook al zouden de landen buiten Europa niet zo ver willen gaan.

Door een dergelijk beleid zullen de Europese bedrijven – en met name de energie-intensieve – ten opzichte van de niet-Europese landen duurder worden, waardoor hun concurrentiepositie verslechtert. Dat gebeurt nu ook als gevolg van de regelgeving en de handel in emissierechten, maar dat is minder zichtbaar. LibDem stelt echter voor, teneinde het concurrentienadeel op te heffen, een correctiemechanisme aan de Europese buitengrens in te voeren. Hierbij wordt op goederen die van buiten de EU komen een heffing opgelegd die gelijk is aan de heffing die dezelfde goederen in de EU zouden hebben plus de heffing op de uitstoot tijdens het transport. Voor goederen die geëxporteerd worden, wordt de CO2-heffing teruggegeven. Het Europees bedrijfsleven heeft hierdoor geen hinder van het in Europa gevoerde (strengere) milieubeleid. Volgens kenners is een dergelijke Border Tax Adjustment in overeenstemming met de regels van de WTO. (Zie ook Cambridge Working Papers in Economics CWPE 0409.)
Een dergelijk correctiemechanisme kun je niet invoeren met het huidige beleid, gebaseerd op regelgeving en handel in emissierechten. Dat is veel te onduidelijk.

Het beleid dat LibDem voorstelt is beter dan het huidige beleid. Op alle uitstoot van CO2 uit fossiele brandstof wordt immers een heffing gelegd. Er is geen willekeur meer. Ook is het niet nodig om allerlei willekeurige productnormen op te leggen. Het is immers in ieders belang – en dat van onze aarde - om te zorgen dat de uitstoot van CO2 beperkt wordt. Dat betekent dat niet alleen de producten energiezuinig zullen zijn, maar dat er daadwerkelijk een continue, generieke en voorspelbare prikkel zal zijn om de producten ook energiezuinig te gebruiken. Subsidies en belastingfaciliteiten zijn dan overbodig. Dat voorkomt ook het misbruik ervan. Een voorbeeld daarvan is het onlangs bekend geworden oneigenlijk gebruik van belastingfaciliteiten voor hybride auto’s. Er zal niet meer gelobbyd hoeven te worden om normen voor producten op een bepaald niveau vast te stellen.

Dit beleid is veel effectiever dan het huidige beleid voor de reductie van broeikasgassen. GroenLinks wil in principe het huidige beleid voortzetten, maar dan een beetje meer. Als je een streng milieubeleid wilt voeren, kan het echter beter op een generieke, marktconforme wijze, zoals LibDem voorstelt. Dat beïnvloedt immers niet alleen de producten, maar ook het gebruik ervan.

Het beleid van LibDem is ook beter voor de economie dan het huidige beleid – in hoofdlijnen gesteund door de VVD- en wel om twee redenen. Ten eerste is het generiek en marktconform, zodat je geen subsidies en betuttelende regelgeving meer nodig hebt. Ten tweede is wordt er rekening gehouden met de concurrentiepositie op de wereldmarkt. Opvallend is dat geen van de andere partijen - met uitzondering  van (deels) de SP - zich zorgen maken over de gevolgen van het Europees milieubeleid voor de concurrentiepositie van het Europees bedrijfsleven. Terwijl dat wel belangrijk is!

Het milieubeleid dat LibDem voorstelt is, kortom, beter voor het milieu dan GroenLinks en beter voor de economie dan de VVD.


donderdag 26 september 2013

Perspectief!

De eerste termijn van de Algemene Politieke Beschouwingen 2013 is een goede weerspiegeling van de politieke malaise waar Nederland in verkeert. Wilders opende een frontale aanval op het kabinet en wees er op dat het nauwelijks meer vertrouwen in het land geniet. Zijn motie van wantrouwen werd alleen gesteund door de SP en de PvdD. De rest van het debat was geneuzel op de vierkante millimeter, waarbij Van der Staaij nog een geestig betoog hield.

Dit is niet het politiek debat waar Nederland nu behoefte aan heeft. De economie zit in een recessie en het kabinet neemt allerlei maatregelen die het economisch klimaat alleen maar verslechteren. Maatregelen die niet alleen de koopkracht, maar ook de zekerheid en het vertrouwen in de toekomst aantasten. En dat alles met overwegend steun van de partijen van de voormalige Kunduz-coalitie.

Het budgettaire kompas en de staatsschuld zijn nu heilig en in de Tweede Kamer heeft niemand er oog voor dat werkloosheid en bedrijven die failliet gaan een veel grotere hypotheek op de toekomst leggen dan een iets hogere staatsschuld. En om de begrotingsdoelstellingen te halen worden allerlei maatregelen bedacht die op korte termijn geld moeten opleveren. Vaak zijn zij niet doordacht en zullen zij op langere termijn meer geld kosten.

De mensen zijn daardoor het vertrouwen in de politiek kwijtgeraakt. Niet zo zeer omdat zij in hun portemonnee worden getroffen. Onder omstandigheden, en indien nodig, is men best bereid een koopkrachtverlies te nemen of anderszins in te leveren. Maar dan moet het zinvol zijn en men moet het gevoel hebben dat het ergens toe leidt. Dat is nu niet het geval: het is een brij van hap-snap maatregelen, waar de samenhang ontbreekt. Zij zijn vaak niet consistent en de mensen voelen dat het in wezen niet klopt. Om er een ideologisch sausje overheen te gieten is de term ‘participatiemaatschappij’ bedacht, wat dat ook moge zijn.

Waar Nederland behoefte aan heeft is perspectief. Perspectief op een toekomst. De mensen moeten zien dat het beleid ergens toe leidt. Zij moeten zicht hebben op een samenleving waar zij zich thuis in voelen en die de uitdagingen van de 21e eeuw aan kan. Dat is meer dan alleen een kreet lanceren, dat vraagt om een samenhangende en consistente visie.

Op bijna alle beleidsterreinen heeft LibDem een visie die duidelijk anders is dan die van de huidige partijen in de Tweede Kamer.

Dat geldt in de eerste plaats voor de economische ordening, waar LibDem een samenleving voorstaat die zowel ruimte geeft aan ondernemers als een goed sociaal vangnet heeft. Een flexibele arbeidsmarkt wordt gecombineerd met een hoog niveau van sociale zekerheid, waarbij iemand die werkloos wordt in principe niet in inkomen achteruit gaat, mits hij zich inspant nieuw werk te vinden. Dat is in de Nederlandse politiek een unieke combinatie. De Nederlandse economie kan daarmee beter inspelen op de uitdagingen van de 21 eeuw.

Voor de korte termijn stelt LibDem werkgelegenheid boven overheidsfinanciën. Eerst zorgen dat zo veel mogelijk mensen aan het werk kunnen door het op peil houden van de binnenlandse bestedingen. Dat is goed voor de economie en uiteindelijk beter voor de overheidsfinanciën dan het huidige afbraakbeleid.

De woningmarkt zit nog steeds op slot. Het in het voorjaar gesloten woonakkoord brengt daar geen verandering in en biedt nog geen begin van een perspectief op een evenwichtige woningmarkt, voor zowel kopen als huren. Zolang dat er nog niet is, zullen mensen terughoudend zijn om te kopen en zullen de prijzen blijven dalen. LibDem vindt dat er eerst consensus moet zijn over wat op de langere termijn een evenwichtige woningmarkt is. Pas dan kun je afspreken hoe en in welk tempo je daar heen gaat en welke maatregelen je daarvoor moet nemen. Wat nu gebeurt is het omgekeerde: maatregelen nemen zonder dat je weet waar je op de lange termijn naar toe gaat. Dat gaat dus niet werken!

Op het terrein van de zorg vindt LibDem dat de verzekeraars te veel macht hebben. Dat is één van de weeffouten van het in 2006 ingevoerde zorgstelsel. Dat vinden velen in Nederland, maar als enige politieke partij wil LibDem de macht van de verzekeraars terugdringen.

De essentie is dat je de mensen perspectief biedt. Perspectief op een samenleving die evenwichtig en rechtvaardig is en waarin iedereen vrij is zijn leven richting te geven. Een samenleving waarin de Nederlanders zich thuis zullen voelen. Dan weet je waar je aan toe bent.

Een dergelijk perspectief is nu in de politiek afwezig. Er is volstrekte ideeënarmoede en veel partijen zijn zelf op zoek naar hun koers. Het beleid is daardoor een samenraapsel van ad hoc maatregelen zonder samenhang. Je moet pas hervormen als je een plan hebt en niet hervormen om het hervormen. Als dat zo doorgaat, zal het vertrouwen in de politiek alleen maar verder afnemen.

Nederland heeft dringend behoefte aan perspectief. Dat geeft weer vertrouwen in de toekomst en in de politiek. Dat is ook goed voor de economie.

LibDem biedt een perspectief op een samenleving die én liberaal én sociaal is.




vrijdag 17 mei 2013

Vertrouwen in de politiek


Volgens de laatste peiling van Maurice de Hond zou de coalitie van VVD en PvdA nu 44 zetels halen, 35 minder dan bij de verkiezingen op 12 september 2012. Als de Tweede Kamer volgens die laatst peiling was samengesteld zou de motie van wantrouwen tegen staatssecretaris Weekers met 97 stemmen zijn aangenomen. Het steunen van een falende staatssecretaris zal het vertrouwen in de politiek niet bevorderen.

Het vertrouwen in de politiek is al jaren laag. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat nu minder dan één derde van de kiezers steun geeft aan de regering. Dat blijkt ook uit de partijen die hun aanhang zien groeien: PVV en 50Plus; deze partijen kunnen in de eerste plaats als protestpartij worden gezien, aangezien het onwaarschijnlijk is dat de kiezers door hun visie of partijprogramma worden aangesproken.

Het duidelijkste blijkt het geringe vertrouwen uit het aantal zetels dat de traditionele middenpartijen (VVD, PvdA, D66 en CDA) nu bij verkiezingen zouden halen: 73. Zelfs Paars plus het CDA zouden nu dus niet in staat zijn om een regering te vormen die een meerderheid heeft in de Tweede Kamer.

Het geringe vertrouwen in de politiek kan niet alleen verklaard worden door het laten zitten van falende staatssecretarissen. Ook voordat Teeven en Weekers vanwege partijpolitiek opportunisme mochten blijven zitten, was het vertrouwen al tot een dieptepunt gezakt. De belangrijkste oorzaak daarvan is dat geen van de politieke partijen – wellicht met uitzondering van de SP – een duidelijke en consistente visie heeft op de samenleving en de economie in de 21e eeuw. De meeste partijprogramma’s staan bol van de ad hoc maatregelen, die soms leuk bedacht zijn, maar waar geen consistente en samenhangende visie achter zit. Het gevolg is dat de ene ad hoc maatregel bij coalitievorming wordt uitgeruild tegen de andere en dat de kiezer het gevoel heeft dat er maar wat gedaan wordt. Dat gevoel is dan terecht!

Er zijn talloze voorbeelden, zoals de inkomensafhankelijke zorgpremie en het belasten van de reiskostenvergoeding. Maar ook de in het regeerakkoord overeengekomen hervormingen van de arbeidsmarkt of de ondoordachte bezuinigingen. Er wordt vaak stoer gezegd dat je nu eenmaal als verantwoordelijke regering impopulaire maatregelen moet nemen, maar dat is niet het probleem. De meeste mensen begrijpen wel dat je soms impopulaire maatregelen moet nemen. Het grootste probleem is de inconsistentie met andere maatregelen. Hoe kun je enerzijds zeggen dat je werk moet zoeken, ook (ver) buiten je woonplaats en anderzijds de vergoeding voor het woon-werkverkeer willen belasten? Hoe kun je enerzijds een maatschappij willen waar je geacht wordt aan het arbeidsproces deel te nemen en anderzijds een groter beroep willen doen op mantelzorg?

Het belasten van het reiskostenforfait en de inkomensafhankelijke zorgpremie zijn voorbeelden waar de kiezer in opstand komt tegen de voorgenomen maatregel, die vervolgens weer (terecht) teruggedraaid worden om al te grote ontevredenheid te voorkomen. Dat lukt evenwel niet altijd. Bij het afschaffen van de reiskostenvergoeding is dat overigens alleen gelukt omdat er ondertussen verkiezingen waren uitgeschreven.

Maar het gebrek aan visie heeft ook tot gevolg dat geen beleid wordt gevoerd of noodzakelijke maatregelen niet genomen worden. Dat geldt voor bijna alle beleidsterreinen. Denk aan Europa, de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de zorg, het milieu. Voor al deze beleidsterreinen is het essentieel een op een consistente visie gebaseerd beleid te voeren. Die visie ontbreekt, waardoor er geen of een onduidelijk beleid wordt gevoerd. Denk bijvoorbeeld aan Europa waar minister-president Rutte uitdrukkelijk zei geen behoefte te hebben aan ‘vergezichten’. Geen wonder dat er dan een beleid uit rolt waarbij langzamerhand steeds meer bevoegdheden aan een ondemocratisch Europa worden overgedragen.

Denk ook aan de woningmarkt. Minister Blok heeft in februari met een aantal oppositiepartijen een Woonakkoord gesloten. Met veel tamtam is dit aangekondigd als dé oplossing die de woningmarkt weer op gang zal helpen. Niet dus. Het woonakkoord is een samenraapsel van halve maatregelen, maar een duidelijk en noodzakelijk zicht op een evenwichtige woningmarkt ontbreekt. Het is evident dat over enige tijd weer een aantal ‘fundamentele maatregelen’ moeten worden genomen. Wie durft onder deze omstandigheden nog een huis te kopen?

LibDem vindt dat een betrouwbare politieke partij gebaseerd moet zijn op een ideologie: een consistente en samenhangende visie op samenleving en economie. Hierop kan dan het verkiezingsprogramma en het beleid gebaseerd zijn. De kiezer stemt dan niet zo zeer op het verkiezingsprogramma – dat kan na 6 maanden al weer achterhaald zijn – maar wel op de visie waarop dat gebaseerd is. Pas dan kan een politieke partij ook een betrouwbaar beleid voeren.

LibDem heeft daarom haar visie in de eerste plaats neergelegd in de uitgangspunten, die in 2008 zijn vastgesteld. Deze uitgangspunten hebben een permanente waarde, ook al kunnen zij – mocht dat nodig zijn – na verloop van tijd geactualiseerd worden. De uitgangspunten zijn verder uitgewerkt in het manifest ‘Én liberaal én sociaal’ uit 2012, waarin met name de visie op de economische ordening is uitgewerkt. Deze is toegesneden op de economie in de 21e eeuw en wijkt af van die van alle andere politieke partijen die nu in de Tweede Kamer vertegenwoordigd zijn. LibDem daagt alle andere partijen uit daar een antwoord op te geven, zo zij daar toe in staat zijn. Dat vraagt om een inhoudelijk debat.

Het ontbreken van een ideologie en van een consistente visie bij de meeste politieke partijen is de belangrijkste reden dat er weinig vertrouwen is in de politiek. Zolang dat het geval is, zal het ongenoegen over de Haagse politiek alleen maar toenemen. Het is dan wachten op de volgende protestpartij die dat ongenoegen weet te verzilveren. Maar er is een alternatief!

vrijdag 12 april 2013

Sociale dissonant


Het overleg tussen kabinet, vakbonden en werkgevers heeft tot een sociaal akkoord geleid en zoals te verwachten valt zijn de deelnemers aan dit overleg zeer voldaan over het bereikte resultaat. Maar moeten degenen die niet aan het overleg deelnamen – de overige Nederlanders dus – er tevreden mee zijn?

Het akkoord heeft zeker een aantal positieve aspecten. Als is het alleen maar omdat een aantal ondoordachte maatregelen uit het regeerakkoord niet doorgaan. Deze maatregelen waren vooral ondoordacht omdat zij hetzij niet in een bredere context waren gezet - er lag geen duidelijke visie aan ten grondslag - hetzij verkeerd getimed waren. Het is economisch onverstandig - en bovendien asociaal - om in tijden van crisis zowel het ontslagrecht te versoepelen als de werkloosheidsuitkeringen te verlagen. Ook was het onverstandig om de werknemers in de zorg op de nullijn te zetten. Hierdoor verlaag je de koopkracht - hetgeen niet goed is voor de economie - en bovendien is het onrechtvaardig.
Het wegnemen van deze ondoordachte maatregelen kan dus als positief worden gezien.

Afgezien van het schrappen van verkeerde maatregelen uit het regeerakkoord, heeft het sociaal akkoord weinig te bieden als perspectief voor de toekomst. Er spreekt in ieder geval geen duidelijke visie uit hoe de economie in de 21e eeuw moet functioneren, laat staan hoe wij uit de crisis komen. Dat viel ook niet te verwachten, gelet op het voorliggend regeerakkoord. De inzet van de onderhandelingen was niet om een goed doordacht goed pakket maatregelen te nemen om uit de crisis te komen. De insteek was voor de vakbonden en werknemers om een aantal door hen verfoeide maatregelen uit het regeerakkoord te schrappen en voor het kabinet om draagvlak te krijgen, opdat in ieder geval nog iets van het regeerakkoord overeind kon blijven. Het resultaat is navenant.

Het akkoord is dus duidelijk niet een nieuw akkoord van Wassenaar. In dat in 1982 gesloten akkoord kwamen de sociale partners en het kabinet overeen om de lonen te matigen in ruil voor arbeidstijdverkorting. Een dergelijke maatregel was toen zinvol, omdat voortdurende loonstijgingen de concurrentiepositie hadden uitgehold. En de afgesproken loonmatiging heeft effect gehad: de export steeg en de Nederlandse economie trok aan.
Het akkoord van Wassenaar was gesloten vanuit een duidelijke en consistente visie op de economie. Die ontbreekt nu en die ontbrak ook in het regeerakkoord. Hoe LibDem daar over denkt, staat in het manifest ‘Én liberaal én sociaal’, dat een visie geeft op de samenleving en de economie in de 21e eeuw.

Waar het akkoord duidelijk tekort schiet is in de behandeling van de arbeidsgehandicapten. De regering bezuinigt fors op de sociale werkplaatsen, waardoor veel arbeidsgehandicapten op straat komen te staan. Dat is niet alleen een asociaal beleid, maar is ook economisch onverstandig: het gaat om mensen voor wie het zonder steun moeilijk is aan het arbeidsproces en de samenleving deel te nemen. Om de bezuinigingen te compenseren was in het regeerakkoord opgenomen dat bedrijven met meer dan 25 werknemers een verplicht zouden worden 5% arbeidsgehandicapten in dienst te nemen. Dat is ook duidelijk een ondoordachte en zelfs asociale maatregel. Werkgevers waren daar terecht tegen en deze compenserende maatregel is daarom geschrapt. Wat er voor in de plaats is gekomen is de belofte van werkgevers om 100.000 banen voor arbeidsgehandicapten te scheppen. Dat gaat dus nooit lukken! Arbeidsgehandicapten vallen hiermee tussen wal en schip. Beter was geweest om dan ook de bezuinigingen op sociale werkplaatsen terug te draaien.

Wat het akkoord zeker niet bereiken zal is het herstellen van het consumentenvertrouwen. Wel worden – vooralsnog – een aantal onzekerheden weggenomen, zoals een kortere werkloosheidsuitkering bij ontslag. Maar daartegenover staan andere onzekerheden die de koopkracht aantasten, zoals de premie voor werknemers om de extra werkloosheidsuitkeringen te kunnen betalen. Ook dreigt het kabinet met nieuwe bezuinigingen als in het najaar blijkt dat het tekort in 2014 boven de 3%-norm komt. Je kunt nu al voorspellen dat dat het geval zal zijn. En die bezuinigingen leiden weer tot extra onzekerheid.

Helemaal bont maakt minster Dijsselbloem het: ‘Dit akkoord is een belangrijke doorbraak en nu is er duidelijkheid. Het is goed dat werknemers, werkgevers en het kabinet de krachten bundelen en ik reken erop dat de gemaakte afspraken een positieve uitwerking hebben op onze economie’. Als deze maatregelen in zijn ogen zo positief zijn, waarom heeft hij ze dan niet eerder bedacht? Hij is per slot van rekening één van de architecten van het regeerakkoord. Of geeft hij hiermee impliciet de ideeënarmoede van het regeerakkoord toe?

De deelnemers aan het overleg zullen luid verkondigen dat zij een mooi akkoord hebben gesloten. Maar de overige Nederlanders hebben weinig om tevreden over te zijn, ook al gaan een aantal slechte maatregelen niet door. Dit akkoord is niet wat wij nu nodig hebben om Nederland uit de crisis te krijgen. Daarvoor hebben wij een duidelijke visie nodig over hoe de economie dient te functioneren. Daarvoor hebben wij ook een goed sociaal beleid nodig.
Dit is in feite geen sociaal akkoord, eerder een sociale dissonant.

donderdag 11 april 2013

Economie


Gisteren (10-4) publiceerde de Europese Commissie het resultaat van de diepgaande evaluatie in het kader van de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden. Van 13 landen, waaronder Nederland, had de Commissie geconstateerd dat er sprake was van macro-economische onevenwichtigheden. Eén van de onevenwichtigheden in Nederland is het hoge overschot op de lopende rekening. Deze bedroeg in 2011 maar liefst 7,5% van het bruto binnenlands product (bbp). Het Centraal Planbureau voorspelde vorige maand dat dit in 2013 tot 8¾ % zal stijgen en in 2014 tot 9%.

Een dergelijk groot overschot is niet goed voor het herstel van de onevenwichtigheden in Europa. Maar het is ook niet goed voor Nederland. Het Centraal Planbureau schrijft het hoge overschot op de lopende rekening toe aan lage binnenlandse bestedingen: de consumptie en de investeringen dalen in 2013. En hoe komt het dat de consumptie daalt? Het CBS constateerde dat het consumentenvertrouwen in februari tot een historisch dieptepunt van minus 44 punten was gedaald.

Dalend consumentenvertrouwen leidt tot lagere bestedingen, waardoor het aantal faillissementen en de werkloosheid toenemen. In het eerste kwartaal ging een record aantal bedrijven failliet: gemiddeld 734 per maand. Mede daardoor is de werkloosheid in februari gestegen tot 7,7%.  Dat is al aanzienlijk slechter dan de voorspelling die het Centraal Planbureau in maart deed voor heel 2013: 6¼ %. Met een stijgende werkloosheid zal die dus aan het eind van het jaar fors hoger uitkomen. Dit lijken abstracte cijfers, maar het gaat wel om mensen die geen werk kunnen vinden!

Het zou dus goed voor de economie – van Nederland en van Europa – zijn als de binnenlandse bestedingen in Nederland weer zouden aantrekken. Daarvoor moet het consumentenvertrouwen weer herstellen. Daar is voorlopig echter nog geen sprake van.

Eén van de belangrijkste oorzaken voor het gedaalde consumentenvertrouwen is de continue bezuinigingsdrift van de meeste politici. Al eerder heb ik betoogd dat de politici bezig zijn de vorige crisis – die uit de jaren 1980 – te bestrijden en dat de huidige crisis om een bestedingsimpuls vroeg. Gelukkig zijn de meeste economen het daar over eens.

Het blijft een merkwaardig verschijnsel dat daar waar de meeste economen het eens zijn dat Nederland niet nog meer moet bezuinigen, er geen politieke partij in de Tweede Kamer is die sterk oppositie voert tegen het desastreuze beleid dat nu gevoerd wordt. Rens van Tilburg heeft daar vorige maand in de Volkskrant een interessante analyse over geschreven. In zijn column met de titel ‘Lemmingenakkoord’ behandelt hij een drietal redenen: ze zijn bang de fouten uit de jaren zeventig (de vorige crisis) te herhalen, zij onderschatten het negatief effect van bezuinigingen op de economie en zij willen graag daadkrachtig lijken.

Rens van Tilburg denkt dat met name het laatste een belangrijke rol speelt omdat politici graag aan de calvinistische inborst van de Nederlandse kiezer appelleren en bang zijn anders als potverteerders te worden gezien, hetgeen electoraal ongunstig zou zijn. Net als Colijn in de jaren dertig hebben zij geen verstand van economie, waardoor zij een beleid voeren dat de economie verder verslechtert. Maar omdat er geen inhoudelijk debat over de economie wordt gevoerd en alle politici in de Tweede Kamer zich achter het bezuinigingsbeleid hebben geschaard, durft niemand van deze lijn af te wijken. De politici zijn zo gevangen in wat economen een ‘slecht evenwicht’ noemen en waar niemand als eerste durft uit te stappen. Hen rest niets anders dan als een stel lemmingen de afgrond in te springen.

Ondertussen verbazen velen zich over de hardnekkige bezuinigingswoede die zich van Den Haag heeft meester gemaakt en die de economie nog verder in het slop brengt. Vorige week was ik bij de kapper en Nicole die mij knipte wist haarfijn uit te leggen dat geld moest rollen om de economie weer op gang te krijgen. Zij had tenminste wel opgelet bij de lessen economie op school. Waarom zegt niemand dat in de Tweede Kamer?

Maar het zijn niet alleen de Haagse politici die dit funeste beleid ondersteunen. Regelmatig hoor je op de radio mensen die door bezuinigingsmaatregelen getroffen worden en dan gelaten zeggen ‘het is crisis en wij moeten nu eenmaal allemaal een stapje terug doen’. Dat wordt helaas onweersproken voor waar aangenomen. Waar blijft de kritische interviewer of journalist die dan vraagt hoe de spreker er bij komt dat ‘bezuinigen nu eenmaal moet’?

Zolang iedereen die bezuinigingswoede voor zoete koek slikt en niet kritisch de vraag gesteld wordt op waarom dat nu nodig zou zijn, zal de Haagse politiek de Nederlandse economie steeds verder de afgrond in bezuinigen. Ten koste van nog meer faillissementen en nog meer werklozen, dat wel.

vrijdag 2 november 2012

Regeren is meer dan kwartetten met standpunten


Volgens het FD van vandaag heeft informateur Wouter Bos de twee partijen ieder een kaart laten kiezen met daarop een cruciale wens. Mark Rutte koos de kaart ‘voldoende bezuinigen voor structureel begrotingsevenwicht’ en Diederik Samsom koos ‘een eerlijkere inkomensverdeling’. Ergens in het formatieproces is toen besloten dat het laatste zou betekenen dat de zorgpremie inkomensafhankelijk werd. Met forse gevolgen voor de inkomens van de middengroepen, die net zo goed hardwerkende Nederlanders zijn.

Dat de kaart die Rutte koos een verkeerde keus is, moge duidelijk zijn. In een economische recessie is het onverstandig om te bezuinigen. Dat is vorige maand nog een keer bevestigd door het IMF. Niettemin volhardt hij in zijn idée fixe dat er per se op korte termijn evenwicht op de begroting moet komen. Het gevolg is dat de werkloosheid extra stijgt en de crisis zich verdiept, zoals blijkt uit de doorrekening van het Centraal Planbureau. Onverstandig beleid dus. Veel toekomstige werklozen zullen dat merken, maar ook het mkb een zzp’ers zullen er de gevolgen van ondervinden.

Natuurlijk moet je in coalitiebesprekingen elkaar wat gunnen. En als Samsom kiest voor een eerlijkere inkomensverdeling, zijn er veel manieren om dat te bereiken. Het aangewezen instrument is de inkomensbelasting. Je kunt bijvoorbeeld de belastingvrije voet verhogen, de schijven of de tarieven aanpassen.

De methode die nu gekozen is, laat zien dat er door de onderhandelaars niet goed nagedacht is. Rutte is akkoord gegaan met een ordinaire belastingverhoging, alleen heet deze anders. Het resultaat dat VVD-minister Hans Hoogervorst met zijn stelselwijziging had bereikt – ook al valt daar het nodige op aan te merken – wordt zo in één keer tenietgedaan. Maar ook Samsom heeft met dit akkoord laten blijken weinig over de gevolgen te hebben nagedacht. Het eigen risico in de zorg wordt voor iemand met een modaal inkomen € 350. Dat is fors en het is een extra drempel om noodzakelijke zorg te vragen. Geconcludeerd kan worden dat het regeerakkoord met betrekking tot de zorg noch liberaal noch sociaal is.

Helaas geldt dat voor veel andere onderwerpen. Zo ook voor één van de andere dossiers waar Nederland op hervormingen zit te wachten: de woningmarkt. Er worden wel wat maatregelen genomen, maar een consistente en evenwichtige visie ontbreekt. De woningmarkt blijft onevenwichtig. Waarom moet je een annuïteitenhypotheek afsluiten om voor renteaftrek in aanmerking te komen? En waarom niet een tax-credit systeem invoeren zodat iedereen van hetzelfde tarief geniet? Voor lagere inkomens wordt het zo moeilijker om een eigen huis te kopen. Is dat sociaal?

Uit veel maatregelen blijkt dat het regeerakkoord noch sociaal noch liberaal is. Het regeerakkoord is gebaseerd op twee gedachten: (i) we willen (moeten) met elkaar regeren en (ii) er moet 16 mrd bezuinigd worden. Als je dan twee partijen hebt die geen consistente visie en ideologie hebben, krijg je een uitruil van standpunten in plaats van een goed doordacht, consistent beleid. De opstand die nu in de VVD plaats vindt is daar een gevolg van. Maar ook als de PvdA coulant zou zijn en de VVD een herstel van deze misser zou gunnen, dan nog wordt het regeerakkoord er niet veel beter op. Het blijft een gedrocht met weinig visie. En liberaal of sociaal zal het nooit worden. Regeren is meer dan kwartetten met standpunten. Nederland (“dit mooie land”) verdient beter.

zaterdag 8 september 2012

Werkloos door massapsychose

In alle verkiezingsprogramma’s van de partijen die nu in de Tweede Kamer vertegenwoordigd zijn, wordt fors bezuinigd: van 22 mrd bij de VVD tot 10 mrd bij GroenLinks. En dat heeft gevolgen. De binnenlandse bestedingen nemen door deze maatregelen af en de werkloosheid stijgt. Volgens het Centraal Planbureau stijgt de werkloosheid bij alle partijen, bij de PvdA en D66 zelfs met meer dan 100.000 personen. En dat zijn dan full time banen! Bij de VVD stijgt de werkloosheid minder, met ‘slechts’ 60.000 personen.

Deze plannen betekenen niet alleen dat de werkloosheid stijgt, maar ook dat meer bedrijven failliet zullen gaan. En dat zullen met name bedrijven zijn die voor de binnenlandse markt produceren. Vooral het mkb, dus.

De reden dat men wil bezuinigen is vanwege het begrotingstekort van de overheid en een oplopende staatsschuld. Het ironische is dat de staatsschuldquote – de verhouding tussen de staatsschuld en het bruto binnenlands product – bij de VVD en de PvdA juist stijgt. Het beoogde effect wordt dus niet bereikt!

Zoals ik al eerder in een blog uiteenzette, zijn deze politici bezig de crisis van de jaren tachtig te bestrijden. Toen was er in Nederland sprake van een klassieke werkloosheid: de lonen waren te hoog ten opzichte van de prijzen, er was een tekort op de betalingsbalans en er was sprake van een heel hoge rente. Onder die omstandigheden was het verstandig te bezuinigen. Nu niet. Verkeerde diagnose en verkeerde therapie dus.

LibDem staat met deze constatering niet alleen. Veel gerenommeerde economen vinden dat het in deze omstandigheden niet verstandig is te bezuinigen. In het buitenland zijn dat onder meer Nobelprijswinnaar Paul Krugman, hoofdeconoom van het IMF Olivier Blanchard en het Britse blad The Economist. In Nederland zijn dat de hoogleraren Eduard Bomhoff en Ewald Engelen en voormalig IMF-directeur en VVD-minister van Financiën Johan Witteveen.

Deze laatste verbaast zich ook over de huidige bezuinigingswoede. Gisteren wees hij in een interview in de Volkskrant op het grote overschot op de betalingsbalans en noemde het merkwaardig dat dat nooit genoemd wordt. ‘Er wordt absurd veel bezuinigd’ luidde de kop boven het interview. ‘Ik ben verbaasd, het lijkt wel een collectieve psychose. Als ze het doorzetten, worden we in een depressie gedrukt. Het is niet te begrijpen. Er is zelfs geen discussie over.’

Dat laatste is wel het meest merkwaardige. Het gaat niet om niets. Meer dan 100.000 extra werklozen door verkeerd beleid. Dat is één op de 60 werkende Nederlanders. En die komen nog eens bij de 400.000 werklozen die er zonder dit beleid toch al zullen zijn. Als gevolg van dit beleid is straks dus één op de 15 Nederlanders werkloos. Tel daarbij op alle bedrijven die failliet zullen gaan. Dat is pas echt lasten naar de toekomst verschuiven!

Het wordt nu, vier dagen voor de verkiezingen, tijd hier een debat over te voeren. Er moeten toch journalisten zijn die begrijpen waar het om gaat? LibDem is de enige partij die niet aan deze bezuinigingswoede mee wil doen en waarbij de werkloosheid dus niet extra stijgt. Dat is op dit moment ook het enige verstandige beleid. Zolang dat beleid niet gevoerd gaat worden kunnen de toekomstige werklozen in ieder geval de oorzaak van hun werkloosheid kennen: werkloos door massapsychose.

vrijdag 7 september 2012

Woningmarkt nog verder verziekt

Deze week lekten de voorstellen van staatssecretaris Weekers (VVD) voor de beperking van de hypotheekrenteaftrek uit. Het komt er op neer dat je na 1 januari 2013 alleen nog maar de hypotheekrente mag aftrekken als je een hypotheek hebt die daadwerkelijk in 30 jaar afgelost wordt. Dat kan een lineaire aflossing zijn of een annuïteitenlening. Het voorstel zal de woningmarkt nog verder op slot zetten.

De woningmarkt in Nederland is ernstig verziekt. Al jaren, en dat komt nu tot uiting, mede als gevolg van de kredietcrisis. De huizenprijzen dalen en niemand durft meer een woning te kopen. Anderzijds is het voor starters nog altijd moeilijk een geschikte woning te huren. Wachtlijsten van 5 jaar zijn geen uitzondering. Studenten moeten vaak € 500 per maand betalen voor een kamertje van 3 x 3.

LibDem is daarom voorstander van een integrale aanpak van de woningmarkt. Je moet eerst consensus krijgen over hoe een evenwichtige woningmarkt er uit ziet. Pas dan kun je maatregelen nemen om daar in een aantal jaren – bijvoorbeeld 10 of 15 – naar toe te gaan. In een evenwichtige woningmarkt moet het even aantrekkelijk zijn om een huis te kopen, te huren of te verhuren. De keus hangt dan van de omstandigheden af en het risico dat je wilt nemen.

De laatste tijd is onder invloed van de kredietcrisis de opvatting ontstaan dat het nodig is om schulden af te lossen. Nederland heeft een hoog niveau van private schulden, hetgeen mede het gevolg is van de hoge huizenprijzen en de mogelijkheden om de hypotheekrente volledig af te trekken. Maar de voorstellen van Weekers schieten weer de andere kant op. Als je gedwongen wordt een lening in 30 jaar volledig af te lossen om voor hypotheekrenteaftrek in aanmerking te komen, worden de netto woonlasten daarmee fors hoger. Bij een lineaire gaat het daarbij om 3,3% van de waarde van het huis. Voor starters wordt het dan moeilijker om een koophuis te betrekken, hetgeen de keuzevrijheid beperkt. Als liberalen zijn wij daar tegen.

De gedachte dat ieder in 30 jaar zijn hypotheeklening moet aflossen komt neer op het gedwongen laten sparen. Iemand die huurt kan hetgeen hij overhoudt beleggen in een banktegoed, aandelen of een levensverzekering. Wie een huis gekocht heeft, moet volgens Weekers gedwongen sparen in de aflossing van zijn hypotheek. Vanwaar deze beleggingsdwang? Is dat liberaal? Waarom kan iemand niet gewoon een nominale schuld houden en daar rente over betalen? Of het dan financieel verstandiger is de lening af te lossen, moet hij zelf weten.

Het bovenstaande is geen pleidooi voor het onverminderd in stand houden van de hypotheekrenteaftrek. Dat een herziening wenselijk is, moge duidelijk zijn. Maar dan in het kader van een algemene hervorming van de woningmarkt op basis van consensus over een evenwichtig einddoel. Dat is de enige mogelijkheid om de woningmarkt weer in evenwicht te brengen: een integrale aanpak.

Zonder deze integrale aanpak dreigen er telkens partiële ad hoc maatregelen getroffen te worden die de woningmarkt alleen verder uit evenwicht brengen. Het voorstel van Weekers is er één van. Als het doorgevoerd wordt, zal dat de mogelijkheden voor starters om een woning te vinden belemmeren en daardoor de huizenprijzen verder onder druk zetten. Dat zal gevolgen hebben voor mensen die nu een hypotheek hebben die hoger is dan de waarde van de woning, waarop de politiek weer maatregelen gaat nemen die dwingen tot versneld aflossen – en dus gedwongen beleggen. Dit is een vicieuze cirkel. Wie doorbreekt die?

De wijze waarop nu met de woningmarkt wordt omgegaan brengt deze alleen maar verder uit evenwicht. De enige manier om de woningmarkt weer te laten functioneren is met de integrale aanpak die LibDem voorstaat.
 

dinsdag 4 september 2012

Zorgen over de zorg

 
Veel kiezers maken zich zorgen over de zorg: zowel over de betaalbaarheid als over de kwaliteit. Dat is terecht. Politici en ambtenaren dreigen met forse ingrepen in de zorg omdat deze anders onbetaalbaar zou worden en dat boezemt angst in. Is deze dreiging terecht? Niet helemaal. Ten eerste omdat de stijging van de zorgkosten minder dramatisch is dan wordt voorgesteld. Ten tweede omdat een ander beleid mogelijk is die met meer vrijheid tot minder kosten leidt. Daarom eerst een relativering en dan een voorstel voor ander beleid.

Aandeel zorg in nationaal product

Het aandeel van de zorg in het bruto nationaal product is de loop der tijd gestegen. Grafiek 1 laat het aandeel van de zorg in het bruto binnenlands product zien voor Nederland, België, Duitsland, het VK en de VS. Het betreft de bijdrage van de toegevoegde waarde in de zorg in de totale economie. In alle genoemde landen is het aandeel van de zorg sinds 1972 significant gestegen; in de VS is de stijging het grootst.
 

De stijging kan door een aantal factoren verklaard worden. In de eerste plaats is er het zogenoemde Baumol-effect: doordat de productiviteit in de dienstensector minder snel stijgt dan in de goederensector, neemt de relatieve prijs van de diensten toe. Daarnaast heeft een grotere individuele vraag aan deze stijging bijgedragen, speelt de vergrijzing een rol en is er een toename van mogelijkheden om zorg te verlenen met nieuwe technologieën. Tenslotte is de welvaart gestegen, waardoor mensen zich kunnen permitteren om meer aan zorg uit te geven.

Het is dus logisch dat het aandeel van de zorg in het BNP toeneemt. In Nederland is het aandeel van de zorg in het bruto binnenlands product (BBP) op dit moment 12%. Er zijn ook andere uitgavencategorieën waarvan het aandeel gestegen is. Zo gaf de consument in 1992 13,7% van zijn inkomen uit aan verkeer en vervoer; in 2006 was dat gestegen tot 17,1 %. Ook hier een stijging; toch maakt niemand daar een probleem van.

 


 
Dat neemt niet weg dat er alle reden voor is om de zorg zo effectief mogelijk te verlenen, zodat tegen zo laag mogelijke kosten de optimale zorg kan worden verleend. Wat dat betreft is er een duidelijke verbetering mogelijk. Opvallend is dat de zorgkosten het hardst gestegen zijn sinds 2006 toen in Nederland een nieuw zorgstelsel werd ingevoerd. In 2006 bedroeg het aandeel van de zorg nog 9,7% van het BBP; in 2010 was dit gestegen tot 12,0%. Een stijging van 2,3 %-punt in vier jaar tijd! In geen van de andere Europese landen uit grafiek 1 is het aandeel van de zorg in zo korte tijd zo sterk gestegen. Men kan zich dan ook afvragen of het nieuwe stelsel zo goed doordacht is.


Zorgstelsel

Het nieuwe zorgstelsel dat in 2006 is ingevoerd had één groot voordeel: het onderscheid tussen ziekenfonds verzekerden en particulier verzekerden is komen te vervallen. Verder was het stelsel gebaseerd op marktwerking. Hierbij is evenwel niet zorg gedragen dat er daadwerkelijk voldoende marktwerking is. Door fusies van zorgaanbieders en zorgverzekeraars is er vaak sprake van regionale monopolies, waardoor de keuzevrijheid - essentieel element van marktwerking - de facto afwezig is. De vraag dient dan ook gesteld te worden of het stelsel wel goed doordacht is. Daarbij is er een ingewikkeld stelsel van declaraties bedacht – de zogenoemde DBC’s – waardoor de feitelijke kosten voor de patiënt ondoorzichtig waren.

In de ogen van LibDem kent het zorgstelsel twee grote fouten. Ten eerste de gedachte dat verzekeraars zorg moeten inkopen en ten tweede het huidige eigen risico.

In het nieuwe zorgstelsel worden verzekeraars geacht zorg in te kopen en zodoende op de kosten te letten. Qua prijs is dat goed gelukt: de prijsstijgingen zijn in de zorg beperkt gebleven. Probleem is evenwel het volume: het aantal verrichtingen is toegenomen. Inherent aan het stelsel is dat verzekeraars kunnen bepalen welke zorg waar ingekocht wordt. Ook kunnen in individuele gevallen therapieën goed- of afkeuren, waarmee zij een bepalende rol hebben in de zorgverlening. Dat gaat ten koste van de kwaliteit, omdat zij onvoldoende kennis hebben voor een afgewogen oordeel.

De tweede fout betreft het eigen risico. Iedere verzekerde heeft een verplicht eigen risico; in 2013 zal dit minimaal € 350 bedragen. Dat eigen risico heeft twee nadelen: zolang het nog niet bereikt is, betaalt de patiënt alles zelf; boven het eigen risico betaalt hij niets. Het gevolg is dat je zuinig bent om de eerste € 350 per jaar aan zorg uit te geven. Dat kan betekenen dat patiënten ten onrechte afzien van een noodzakelijke therapie. Maar als het eigen risico door omstandigheden overschreden is, betaalt de patiënt helemaal niets meer. Je kunt dan het beste zo veel mogelijk zorg consumeren die je toch ooit nodig zou moeten hebben, zoals nog een extra controle bij de oogarts, e.d.


Beleid

LibDem vindt dat deze fouten in het zorgstelsel hersteld moeten worden. In de eerste plaats moet de rol van de verzekeraars weer beperkt worden tot verzekeren. De verzekeraars moeten de kosten vergoeden – en daar kritisch op toezien – maar niet “inkopen” dan wel de therapie bepalen. De patiënt moet in overleg met de (huis)arts de vrijheid hebben de therapie en de zorgaanbieder te kiezen die hem aangeraden wordt. Dat komt de kwaliteit van de zorg ten goede. De regie moet weer bij arts en patiënt komen.

In de tweede plaats moet het eigen risico zoals dat nu bestaat veranderd worden in een proportionele eigen bijdrage. De patiënt betaalt bijvoorbeeld 10% van de zorgkosten tot een maximum van – bijvoorbeeld - € 3.000. Op jaarbasis betaalt hij dan wel maximaal € 300, maar hij heeft een veel lagere drempel in het begin omdat hij slechts 10% van de gemaakte kosten betaalt. Anderzijds is het effect van de eigen bijdrage veel groter, omdat het doorwerkt tot een jaarconsumptie van € 3.000. Inherent hieraan moet zijn dat de patiënt inzage krijgt in de kosten die gemaakt worden en dat hem gewezen wordt op eventueel goedkopere alternatieven. Hier ligt een taak voor zowel de huisarts als de verzekeraar. De patiënt heeft evenwel zelf belang bij het beperken van de zorgconsumptie tot het hoogst noodzakelijke en tot het zoeken naar goedkopere alternatieven.

Deze twee wijzigingen zullen de vrijheid om van de zorg gebruik te maken vergroten, maar zullen ook tot een kostenreductie leiden omdat de patiënt daar direct belang bij heeft. Er is alle reden om de kosten van de zorg zo veel mogelijk te beperken. Er is evenwel geen reden de stijging van de zorgconsumptie te dramatiseren en "harde ingrepen" te doen die ten koste gaan van gezondheid en daarmee van welzijn en welvaart.


 

woensdag 29 augustus 2012

Kiezen over economie



‘Er valt wat te kiezen’, aldus Coen Teurlings, directeur van het Centraal Planbureau. Met name op het gebied van economie valt er dit jaar echt wat te kiezen. De fundamentele keus is tussen verstandig en onverstandig economisch beleid.

Conform de Haagse mythe dat het nu in Nederland noodzakelijk is versneld de overheidsfinanciën op orde te brengen, doen de gevestigde partijen een wedstrijdje wie het meest kan bezuinigen. De resultaten zijn doorgerekend door het Centraal Planbureau en die liegen er niet om. Bij alle partijen daalt het bruto binnenlands product (bbp) en stijgt de werkloosheid als gevolg van de door hen voorgestelde maatregelen. De SGP en D66 zijn kampioen werkloosheid met stijgingen van 1,5 en 1,3%-punt. De enige uitzondering is de partij die het minst bezuinigt, de PVV. Bij de PVV is de economische groei 0,1%-punt hoger dan zonder maatregelen en is de werkloosheid 0,5% lager.

LibDem is voor een beleid om eerst de economie op orde te brengen, waardoor de overheidsfinanciën vanzelf weer in evenwicht komen. Als het nodig is maatregelen te nemen, kan dat beter bij een gezonde economie waarin iedereen weer aan het werk is dan in een situatie waarin er een hoge werkloosheid is. Je kunt beter niets doen dan een verkeerd beleid voeren. LibDem wil de economie wel hervormen, maar is tegen hervormingen die onbezonnen zijn en die worden doorgedrukt onder het motto dat ‘bezuinigen moet’. In dit kader komt het beleid van LibDem neer op de basisvariant van het Centraal Planbureau. En die is in veel opzichten beter dan de maatregelen die voorgesteld worden.

Waarom het economisch beleid van de gevestigde partijen onverstandig is, heb ik uitgelegd in mijn vorige blog van vrijdag 24-8. De berekeningen van het Centraal Planbureau bevestigen die analyse voor 100%.

Zo nemen bij alle partijen de binnenlandse bestedingen af ten opzichte van het basispad. Dat heeft gevolgen voor de werkgelegenheid. Zoals gezegd neemt de werkloosheid bij alle partijen (behalve de PVV) verder toe. Bij de PvdA en D66 zelfs met 1,3%-punt. Het gaat dan wel om 100.000 extra werklozen! Ook bij de VVD neemt de werkloosheid toe, zij het met ‘slechts’ 65.000. Dat deze personen in 2040 weer werk kunnen krijgen, is mooi, maar dat helpt nu niet veel.

Is dat nu verstandig beleid? Laten wij eens kijken waar het allemaal om begonnen was: de overheidsfinanciën. Door de negatieve gevolgen voor de economie en zogenaamde inverdieneffecten daalt het tekort veel minder dan wat er bezuinigd wordt. Voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën is de staatschuldquote – de verhouding tussen de staatsschuld en het bbp - een belangrijke variabele. Bij VVD, PvdA, PVV en CDA stijgt deze ten opzichte van het beleid van LibDem. Het beoogde resultaat – een stabilisering dan wel daling van de staatsschuldquote - wordt dus in het geheel niet bereikt, integendeel! Het Planbureau legt uit dat dat door het noemereffect komt: “bij veel partijen komt het nominale bbp lager uit dan in het basispad.” Met andere woorden: meer groei (LibDem) zorgt voor een lagere staatschuldquote. Alleen bij GroenLinks neemt de staatsschuldquote noemenswaardig af, maar dat komt vooral omdat de inflatie wordt aangewakkerd.

Een andere variabele, die vaak minder aandacht krijgt, is het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans. Nederland heeft al een overschot op de lopende rekening: wij verdienen als land meer dan wat wij uitgeven. Volgens het basispad stijgt dit overschot in 2017 naar 9,25% van het bbp. Dat is fors! Dat is ook onwenselijk, gelet op de werkloosheid en ook in verband met de onevenwichtigheden in Europa. Wil de eurocrisis opgelost worden, dan moeten de zuidelijke landen kunnen exporteren naar Noord-Europese landen. De Europese Unie vindt een dergelijk overschot dan ook te hoog en het zou goed zijn als Nederland weer meer zou besteden. Maar nu de beleidsmaatregelen: bij alle gevestigde partijen neemt dit overschot toe! Bij D66 zelfs met 1%-punt van het bbp. Hoezo een pro-Europese partij?

De keus is duidelijk: gaan wij door met het “saneren” van de overheidsfinanciën ten koste van de economie en de werkgelegenheid of zorgen wij eerst dat de economie weer op gang komt en zo veel mogelijk mensen weer aan het werk zijn? De gevestigde partijen zijn voor het eerste, LibDem voor het laatste. Er valt dus echt iets te kiezen!


vrijdag 24 augustus 2012

Politici bestrijden vorige crisis

Generaals zijn vaak bezig de vorige oorlog uit te vechten. Het lijkt alsof de meeste politici in Nederland ook de vorige economische crisis aan het bestrijden zijn. Als je Rutte, Pechtold, van Haersma Buma hoort spreken hebben zij een uitstekend recept om de crisis op te lossen. Maar dan wel die van begin jaren tachtig van de vorige eeuw. Niet de huidige. Je vraagt je af of zij het verschil wel kennen tussen een Keynesiaanse en een klassieke werkloosheid.

In de jaren tachtig was er sprake van een klassieke werkloosheid. De lonen waren te hoog ten opzichte van de prijzen. Het was daarom niet lonend om de werkgelegenheid uit te breiden. Nederland leed aan de zogenoemde Dutch disease en had zich uit de markt geprijsd. Wij gaven als land meer uit dan wat wij verdienden en hadden dus een tekort op de betalingsbalans. In die situatie had het geen zin om het tekort van de overheid te laten oplopen. Er was immers geen sprake van een vraagtekort. Toch is het overheidstekort toen fors gestegen: van 0,8% in 1977 naar maar liefst 6,2% in 1982. Dat was toen niet verstandig en onder die omstandigheden was het beter geweest de overheidsfinanciën sneller op orde te brengen.

Nu is de situatie heel anders: er is sprake van een Keynesiaanse werkloosheid. De economie krimpt door een tekort aan vraag naar goederen en diensten. Onder die omstandigheden moet de overheid juist zorgen dat de vraag op peil blijft. Dat gebeurt nu niet en doordat de overheid bezuinigingen en lastenverhogingen aankondigt, worden de mensen bang en geven minder uit. Je ziet in Nederland de binnenlandse bestedingen teruglopen en de Nederlandse economie doet het dan ook slechter dan die van de omringende landen. Een duidelijk verschil met de jaren tachtig is ook dat wij al jaren een fors overschot op de betalingsbalans hebben: wij verdienen als land meer dan dat wij uitgeven. Dat overschot loopt nu verder op door de terugval van de binnenlandse bestedingen en dat is niet goed voor het evenwicht in Europa.

Onder de huidige omstandigheden is het het beste om de zogenaamde automatische stabilisatoren te laten werken: het overheidstekort loopt dan iets op en zal vanzelf weer dalen als de economie weer aantrekt. 

En de staatsschuld dan? Natuurlijk zal die iets stijgen, maar dat moet ook in perspectief worden geplaatst. In 1950, tijdens de wederopbouw was deze 141% van het bruto binnenlands product. Dat is als gevolg van economische groei gedaald tot 38% in 1977. Door de crisis in de jaren tachtig liep deze op tot 77% in 1993. Op dit moment bedraagt de staatsschuldquote 72%.

Een groot verschil is evenwel de lange rente. In de jaren tachtig was deze heel hoog, met een top van 11,5% in 1981. Dat past bij het economisch beeld van toen: een klassieke werkloosheid die met verkeerd beleid bestreden werd. Als gevolg daarvan betaalde de overheid enorme rentelasten over de staatsschuld met maxima van 6,2% van het bruto binnenlands product in 1985 en 1992. Nu bedraagt de lange rente 2,0% en zijn de rentelasten van de overheid 2,0% van het bruto binnenlands product.

Natuurlijk is het verstandig de staatsschuld niet te ver te laten oplopen en moeten de overheidsfinanciën op termijn weer gezond zijn. Maar voor gezonde overheidsfinanciën is een gezonde economie nodig. Met het huidige beleid bereik je dat niet. Doordat de binnenlandse bestedingen teruglopen, zal de werkloosheid verder stijgen en zullen bedrijven failliet gaan. Dat is kapitaalvernietiging. De lessen van de jaren tachtig laten zien dat een “verloren generatie” - schoolverlaters die geen werk kunnen vinden – tenminste tien jaar nodig heeft om de schade weer in te halen. Dat is pas echt lasten naar de toekomst verschuiven.

Het zou goed zijn als de politici de balans tussen deze twee kwaden eens zouden opmaken: een iets hogere staatsschuld bij een lage rente of een hoge werkloosheid en een verloren generatie. LibDem kiest voor werkgelegenheid en het gezond maken van de economie. Dan daalt het overheidstekort en de staatschuld vanzelf, dat duurt alleen iets langer. Dat beleid past nu in de huidige economisch omstandigheden.

Wat de meeste andere politici doen is de crisis van de jaren tachtig bestrijden. En daardoor kan de huidige crisis nog heel lang duren. Zij schuiven daarmee lasten naar de toekomst. Hoezo aanpakken en nu vooruit?