Posts tonen met het label belastingen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label belastingen. Alle posts tonen

woensdag 4 december 2013

Verborgen collectieve lasten

Voor de economie – en dus voor de werkgelegenheid – is het van belang de collectieve lasten zo laag mogelijk te houden. Hogere collectieve lasten maken arbeid immers duurder dan wel beperken de vrije bestedingen van consumenten. Lage collectieve lasten verhogen daardoor welvaart en welzijn, mits dit uiteraard niet ten koste gaan van de taken die de overheid moet uitvoeren.

Hoewel dit kabinet al veel collectieve lasten heeft verhoogd (o.a. BTW naar 21%), is het beleid er op gericht om verdere lastenverhoging te beperken. Dus moet de zelf opgelegde begrotingsdoelstelling van 3% gerealiseerd worden door verlagen van de uitgaven. Verdere stijging van de collectieve lasten – volgens de gangbare definitie – wordt daarmee voorkomen.

Probleem is echter dat daarbij niet naar de werking van de economie gekeken wordt, maar naar de gangbare definities en wat daar onder valt. Het gebruikelijke Haagse cijferfetisjisme dus. Als je dat wel doet, en naar de economische effecten van het kabinetsbeleid kijkt, zie je dat het kabinet de private sector allerlei verplichtingen en lasten oplegt, die je eigenlijk tot de collectieve lasten zou moeten rekenen. Verborgen collectieve lasten dus. Ik noem twee voorbeelden.

Vorige week heeft het kabinet de Participatiewet naar de Kamer gestuurd. Met veel mooie woorden wordt daarin de verantwoordelijkheid die het Rijk heeft voor het arbeidsmarktbeleid voor mensen met een handicap doorgeschoven naar sociale partners en gemeenten. Onderdeel daarvan is dat bedrijven arbeidsplaatsen creëren voor mensen met een beperking. Dit is een uitvloeisel van het in april gesloten Sociaal Akkoord, verder uitgewerkt in het Herfstakkoord (met D66, CU en SGP). Het gaat daarbij om in totaal 100.000 arbeidsplaatsen voor mensen met een beperking, die anders als gevolg van het kabinetsbeleid op straat komen te staan. Met andere woorden: de werkgevers moeten dit maar opknappen en als dat niet lukt, zal de Quotumwet in werking treden, die dit als een verplichting oplegt.

Het is natuurlijk een goede zaak als mensen met een beperking werk kunnen vinden bij reguliere werkgevers. Maar dat moet dan voor beide partijen aantrekkelijk worden gemaakt. Als deze werknemers minder productief mochten blijken te zijn – en dus minder kunnen verdienen - dient de overheid daar met een loonkostensuppletie een aanvulling op het inkomen te geven. LibDem pleit daar al voor sinds 2006. De verplichting die de overheid nu wil opleggen komt er in feite op neer dat werkgevers met extra kosten worden opgezadeld, die eigenlijk collectief gefinancierd zouden moeten worden. Verborgen collectieve lasten, dus.

Een ander voorbeeld is de mantelzorg die – onder het motto van ‘Participatiesamenleving’ – wordt opgelegd aan mensen die in hun omgeving (familie, buren) iemand hebben die hulp behoeft. Ook dat is economisch inefficiënt, zie daarvoor mijn blog van 10 november jl. Dit is een andere vorm van verborgen collectieve lasten.

Dit zijn twee voorbeelden van verborgen collectieve lasten; er zijn er meer. Verborgen collectieve lasten zijn economisch inefficiënter dan echte collectieve lasten. Zij zijn alleen verborgen en tellen dus niet mee voor het op cijfers gebaseerde beleid. De  gevolgen zien wij pas over een aantal jaren, mogelijk pas na de volgende verkiezingen.

Je kunt beter iets meer belasting betalen en zorgen dat de economie efficiënt is en iedereen zijn bijdrage daaraan kan leveren, dan opgezadeld zijn met verborgen collectieve lasten, die ongetwijfeld de nodige willekeur, onzekerheid en bureaucratie tot gevolg zullen hebben.

Dit beleid is niet goed voor de economie, niet goed voor de werkgelegenheid en beperkt de vrijheid. LibDem heeft een veel beter alternatief.



zondag 10 november 2013

Participatiesamenleving is niet liberaal

Deze regering heeft het begrip participatiesamenleving omarmd als ideologische dekmantel voor bezuinigingen. Een participatiesamenleving is een samenleving waarin iedereen die dat kan verantwoordelijkheid neemt voor zijn of haar eigen leven en omgeving, zonder hulp van de (landelijke) overheid. Zo gedefinieerd lijkt er niets op tegen te zijn: prima als mensen eigen verantwoordelijkheid nemen.

Probleem is echter dat het begrip gehanteerd wordt om de “terugtredende overheid” - lees: bezuinigingen - te rechtvaardigen. En dan gaat het met name om taken op het gebied van sociale zekerheid en zorg die om allerlei redenen beter door de overheid vervuld kunnen worden. Het kabinet vindt dat mensen meer een beroep doen op mantelzorg, op elkaar, moeten doen en pas aankloppen bij de overheid als dat geen resultaat oplevert. En daar ligt het probleem. Deze participatiemaatschappij beknot de vrijheid, leidt tot bedilzucht, bevordert ongelijkheid en willekeur en is economisch inefficiënt. Genoeg redenen om er tegen te zijn.

De verplichting een beroep op anderen te doen beknot de vrijheid van zowel degene die de hulp aanbiedt als van die die er om vraagt. Het is prima om af en toe vrijwillig boodschappen voor de buurman te doen. Als het uitkomt. Maar soms komt het niet uit en moeten de boodschappen wel gedaan worden. En dan is de verplichte mantelzorg voor beide partijen belastend. Vandaar dat een systeem waarbij de overheid zorgt dat mensen die hulp behoeven die ook krijgen voor alle partijen de meeste vrijheid biedt. Bedacht zij dat het niet alleen gaat om het doen van boodschappen, maar ook andere vormen van verzorging, waaronder persoonlijke verzorging. Ook daar kan het zeer belastend zijn steeds een beroep op familie of buren te moeten doen.

In de plannen van het kabinet komt in de toekomst een (gemeente)ambtenaar in een gesprek ‘aan de keukentafel’ beoordelen of iemand voor hulp van de overheid in aanmerking komt. Het gaat daarbij niet alleen om de vraag of iemand wel zelf boodschappen kan doen, maar ook of hij geen familie of buren heeft, die hem daarmee kunnen helpen. Heeft hij wel voldoende een beroep op potentiële mantelzorgers gedaan? Kan zijn dochter hem niet komen helpen? of de buurman? Dit zal tot een hoge mate van bedilzucht leiden. Er zal op zijn minst morele druk op de betrokkenen worden uitgeoefend.

En dan de ongelijkheid. Een kenmerk van de rechtstaat is dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. In de “participatiemaatschappij” zoals het kabinet die voor ogen heeft, kan dat niet meer. De uitvoering van de resterende zorgtaak van de overheid wordt immers aan de gemeenten opgedragen en iedere gemeente zal haar eigen beleid voeren. En ieder geval is natuurlijk uniek, zodat er binnen één gemeente weinig vergelijkbare gevallen zullen zijn. Ongelijkheid en willekeur zullen het gevolg zijn.

De hele operatie is in gang gezet omdat het uiteindelijk economisch efficiënter zou zijn: de overheid hoeft geen belasting te heffen als burgers de werkzaamheden zelf buiten de overheid om verrichten. Maar is deze oplossing nu economisch efficiënter? Vroeger bleven mensen vaak in dezelfde plaats wonen, vaak vlak bij hun ouders. In dat geval kon je makkelijk je ouders verzorgen als die hulpbehoevend waren. Nu is dat anders. Mensen wonen doorgaans verder van hun familie vandaan. Dat wordt ook gestimuleerd en het past bij een economie waarin men niet meer zijn hele leven bij één werkgever werkt. Maar kan van iemand die in Amersfoort woont verwacht worden dat hij dagelijks naar Utrecht reist om zijn vader te verzorgen? Dat kost zowel tijd als geld. Het is economisch veel efficiënter om dan maar iets meer belasting te betalen, waardoor de overheid kan zorgen dat iemand in Utrecht boodschappen doet, liefst voor een aantal mensen tegelijk. Uiteindelijk zal de “participatiemaatschappij” niet alleen ten koste gaan van het welzijn, maar ook van de welvaart: de Nederlandse economie wordt minder efficiënt. Is dat wat het kabinet beoogt?

De “participatiemaatschappij” staat dan ook op gespannen voet met een andere doelstelling van het kabinetsbeleid, namelijk om de arbeidsmarkt te flexibiliseren. Je kunt niet aan de ene kant verwachten dat mensen verhuizen om elders werk te vinden en aan de andere kant dat zij mantelzorg bieden aan familieleden. Deze inconsistentie is tekenend voor de wijze waarop de huidige Haagse politiek werkt: geen doordachte visie op hoe de samenleving en de economie in de 21e het best kan functioneren.

De “participatiemaatschappij” zoals het kabinet die voor ogen heeft, leidt dus tot minder vrijheid, tot betutteling, tot ongelijkheid en willekeur en is economisch inefficiënt. Zij staat haaks op de idealen van het liberalisme. Zij staat zeker haaks op de visie van LibDem: een maatschappij waarin het individu zo veel mogelijk vrijheid geniet.




maandag 5 november 2012

Niet liberaal en niet sociaal


Nog voor dat het kabinet geïnstalleerd was, is het vertrouwen erin tot een dieptepunt gezakt. Volgens de peilingen van Maurice de Hond zou de coalitie nu 57 zetels in de Tweede Kamer krijgen, lang geen meerderheid dus. En dat is geen wonder: het regeerakkoord is noch liberaal noch sociaal.

Hans Spekman sprak dit weekend zijn waardering voor het regeerakkoord uit door te zeggen dat nivelleren een feest is. Daarmee zag hij twee dingen over het hoofd. Er wordt alleen genivelleerd met betrekking tot de middeninkomens, de hogere inkomens blijven buiten schot. Ernstiger is dat de inkomensplaatjes maar het halve beeld geven. Wie de pech krijgt werkloos te worden, gaat in inkomen tientallen procenten achteruit. Er dreigt een tweedeling in de samenleving te komen tussen degenen die (nog) werk hebben en degenen die werkloos zullen zijn. En dat laatste aantal zal door het kabinetsbeleid toenemen.

De cijfers van het Centraal Planbureau laten dat duidelijk zien: als gevolg van het bezuinigingsbeleid van het kabinet zal de werkloosheid toenemen. En dat is nog maar het halve beeld, want ook zzp’ers en het mkb zullen het heel moeilijk krijgen als gevolg van de terugval in bestedingen.

Met name de werkloze ouderen en jongeren zullen het heel moeilijk krijgen. Wie ouder dan 45 jaar is en werkloos wordt kan vergeten – uitzonderingen daargelaten – dat hij nog werk kan krijgen op hetzelfde niveau of tegen een vergelijkbaar salaris als zijn vorige baan. Wie starter is op de arbeidsmarkt en geen werkervaring heeft, zal de komende jaren heel moeilijk een baan krijgen. Net als in de jaren 1980 dreigt een verloren generatie. Als de economie straks weer aantrekt (in 2020 ?), zullen werkgevers de voorkeur geven aan pas afgestudeerden boven degenen met dezelfde kwalificaties die enkele jaren naar werk hebben gezocht.

Zeker onder deze omstandigheden is het drastisch versoberen van de sociale voorzieningen niet sociaal te noemen. Het is dan ook verbazingwekkend dat de PvdA hier mee akkoord is gegaan. Is de lust om te regeren groter dan de wens een sociaal beleid te voeren? Geen wonder dat de PvdA in de peilingen gezakt is tot 30 zetels.

En de VVD-achterban heeft ook terecht reden om te mopperen. Dat de PvdA een zekere nivellering wilde is tot daar aan toe. Maar het gekozen instrument daarvoor is desastreus. Niet alleen omdat het vooral ten koste van de middeninkomens gaat –de hogere inkomens gaan er op vooruit - maar vooral omdat daarmee de hele basisfilosofie van het zorgstelsel op de helling wordt gezet. Daarbij komt dat het in het geheel niet bijdraagt aan het beperken van de zorgkosten. Als je wilt nivelleren, is de inkomensbelasting daartoe het aangewezen instrument, en niet allerlei andere regelingen. Wat nu gebeurt, is het weghalen van het laatste restje marktwerking in de zorg. Bovendien wordt door allerlei maatregelen nog meer macht aan de verzekeraars gegeven. Ook hierin is het regeerakkoord niet liberaal. De VVD-kiezer is er achter gekomen dat de wil om te regeren belangrijker was dan het bereiken van een evenwichtig en doordacht resultaat. Geen wonder dus dat de VVD in de peilingen tot 27 zetels is gezakt.

Beide partijen schofferen hun achterban door een regeerakkoord te sluiten dat noch liberaal noch sociaal is. Erelid van de VVD Hans Wiegel zei dit weekend dat de VVD terug moest naar de onderhandelingstafel. Hij zei dat de PvdA wel zo verstandig zou zijn om de VVD uit de problemen te helpen. Maar ook de PvdA zou terug moeten naar de onderhandelingstafel vanwege de asociale aspecten van het regeerakkoord. Als dat gebeurt zou er wellicht nog iets te redden zijn, anders kan dit kabinet het best zo snel mogelijk verdwijnen.

vrijdag 2 november 2012

Regeren is meer dan kwartetten met standpunten


Volgens het FD van vandaag heeft informateur Wouter Bos de twee partijen ieder een kaart laten kiezen met daarop een cruciale wens. Mark Rutte koos de kaart ‘voldoende bezuinigen voor structureel begrotingsevenwicht’ en Diederik Samsom koos ‘een eerlijkere inkomensverdeling’. Ergens in het formatieproces is toen besloten dat het laatste zou betekenen dat de zorgpremie inkomensafhankelijk werd. Met forse gevolgen voor de inkomens van de middengroepen, die net zo goed hardwerkende Nederlanders zijn.

Dat de kaart die Rutte koos een verkeerde keus is, moge duidelijk zijn. In een economische recessie is het onverstandig om te bezuinigen. Dat is vorige maand nog een keer bevestigd door het IMF. Niettemin volhardt hij in zijn idée fixe dat er per se op korte termijn evenwicht op de begroting moet komen. Het gevolg is dat de werkloosheid extra stijgt en de crisis zich verdiept, zoals blijkt uit de doorrekening van het Centraal Planbureau. Onverstandig beleid dus. Veel toekomstige werklozen zullen dat merken, maar ook het mkb een zzp’ers zullen er de gevolgen van ondervinden.

Natuurlijk moet je in coalitiebesprekingen elkaar wat gunnen. En als Samsom kiest voor een eerlijkere inkomensverdeling, zijn er veel manieren om dat te bereiken. Het aangewezen instrument is de inkomensbelasting. Je kunt bijvoorbeeld de belastingvrije voet verhogen, de schijven of de tarieven aanpassen.

De methode die nu gekozen is, laat zien dat er door de onderhandelaars niet goed nagedacht is. Rutte is akkoord gegaan met een ordinaire belastingverhoging, alleen heet deze anders. Het resultaat dat VVD-minister Hans Hoogervorst met zijn stelselwijziging had bereikt – ook al valt daar het nodige op aan te merken – wordt zo in één keer tenietgedaan. Maar ook Samsom heeft met dit akkoord laten blijken weinig over de gevolgen te hebben nagedacht. Het eigen risico in de zorg wordt voor iemand met een modaal inkomen € 350. Dat is fors en het is een extra drempel om noodzakelijke zorg te vragen. Geconcludeerd kan worden dat het regeerakkoord met betrekking tot de zorg noch liberaal noch sociaal is.

Helaas geldt dat voor veel andere onderwerpen. Zo ook voor één van de andere dossiers waar Nederland op hervormingen zit te wachten: de woningmarkt. Er worden wel wat maatregelen genomen, maar een consistente en evenwichtige visie ontbreekt. De woningmarkt blijft onevenwichtig. Waarom moet je een annuïteitenhypotheek afsluiten om voor renteaftrek in aanmerking te komen? En waarom niet een tax-credit systeem invoeren zodat iedereen van hetzelfde tarief geniet? Voor lagere inkomens wordt het zo moeilijker om een eigen huis te kopen. Is dat sociaal?

Uit veel maatregelen blijkt dat het regeerakkoord noch sociaal noch liberaal is. Het regeerakkoord is gebaseerd op twee gedachten: (i) we willen (moeten) met elkaar regeren en (ii) er moet 16 mrd bezuinigd worden. Als je dan twee partijen hebt die geen consistente visie en ideologie hebben, krijg je een uitruil van standpunten in plaats van een goed doordacht, consistent beleid. De opstand die nu in de VVD plaats vindt is daar een gevolg van. Maar ook als de PvdA coulant zou zijn en de VVD een herstel van deze misser zou gunnen, dan nog wordt het regeerakkoord er niet veel beter op. Het blijft een gedrocht met weinig visie. En liberaal of sociaal zal het nooit worden. Regeren is meer dan kwartetten met standpunten. Nederland (“dit mooie land”) verdient beter.

donderdag 1 november 2012

Zorgperikelen


De voorstellen van de coalitiepartners om de premie voor de zorg inkomensafhankelijk te maken zijn slecht doordacht. Niet alleen omdat veel huishoudens er fors in koopkracht op achteruit zullen gaan – en anderen vooruit – maar vooral omdat er geen duidelijk concept achter zit en het haaks staat op de basisgedachte achter het zorgstelsel dat wij sinds 2006 kennen. Het regeerakkoord is daarin geheel niet consistent en uiteindelijk zal het tot hogere zorgkosten leiden.

Het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen kan ik onderschrijven. Daarom hebben wij in Nederland ook een progressief belastingstelsel: het belastingtarief loopt op naarmate je meer verdient. Als je meer wilt nivelleren, zoals de coalitiepartners hebben afgesproken, dan moet je het hoogste tarief verhogen of de belastingschijven inkorten. Dat is dan een duidelijk instrument. Wat je zo veel mogelijk moet vermijden is om allerlei regelingen en voorzieningen inkomensafhankelijk te maken. Dat werkt verwarrend en is nodeloos bureaucratisch. Wij willen toch ook niet dat bioscoopkaartjes inkomensafhankelijk zijn of dat het Btw-tarief bij de supermarkt afhankelijk is van je loonstrookje? Waarom dan wel bij de zorgpremie?

Het zorgstelsel dat in 2006 is ingevoerd, is gebaseerd op concurrentie tussen verzekeraars. Deze worden geacht zorg “in te kopen” – een onzinnige gedachte overigens – en daarbij zowel op prijs als op kwaliteit te letten. Door scherp op de kosten te letten, kunnen zij met hun tarieven – de nominale premie - en hun overige voorwaarden concurreren. Om de koopkrachteffecten voor de lagere inkomens van de invoering van de nominale zorgpremie te compenseren, is er een zorgtoeslag ingesteld. Dat werkte redelijk goed: ook lagere inkomens hadden zo belang bij een zo laag mogelijke nominale premie, maar zij verloren geen koopkracht door de invoering van het stelsel.

Wat nu als inkomensafhankelijke zorgpremie wordt gepresenteerd is in feite niet anders dan een soort belasting, waarmee het grootste deel van de zorgverzekering gefinancierd wordt. De concurrentie tussen de zorgverzekeraars wordt daardoor weggenomen. Eén van de pijlers waarop het zorgstelsel rust, wordt zo onderuit gehaald. Er zullen dus minder prikkels zijn om de zorgkosten in de hand te houden en op de kwaliteit te letten. Het merkwaardige is dat de coalitiepartners er wel van uit gaan dat de verzekeraars die rol blijven vervullen. Het regeerakkoord is daarin dus niet consistent.

Als je de zorgkosten echt in de hand wilt houden, moet de consument weten hoeveel de zorg kost en ook een evenredig deel daaraan bijdragen. Als je de consument bijvoorbeeld 10% laat betalen van alle zorgconsumptie tot een maximum van € 3.000, dan heeft hij in totaal een eigen risico van € 300. Maar bij ieder beroep op de zorg zal afwegen of hij die kosten inderdaad wil maken, zonder dat er sprake is van een financiële drempel, zoals dat nu het geval is. Een dergelijk stelsel is veel effectiever om de kosten te beheersen dan wat nu in het regeerakkoord staat.

Dat de VVD akkoord is gegaan met een inkomensafhankelijke premie om daarmee een verlaging van de belastingtarieven te financieren is pure window dressing: voor de meeste inkomens is de inkomensafhankelijke premie (11,1% van het inkomen) een stuk hoger dan de verlaging van het toptarief met enkele procentpunten. Als je je in het verkiezingsprogramma voor een verlaging van de belastingen hebt uitgesproken, moet je niet via een achterdeur hogere belastingen binnenhalen. Als je denkt dat de kiezer niet door heeft dat hij aldus bedrogen wordt, heb je wel een heel lage dunk van het denkvermogen van je achterban.

Ernstiger evenwel is de systeemfout die geïntroduceerd wordt. Met de inkomensafhankelijke premie wordt in feite het hele zorgstelsel – dat door VVD-minister Hoogervorst in 2006 is ingevoerd – onderuit gehaald. Dit laat zien dat de onderhandelaars niet goed hebben nagedacht waar zij mee bezig waren. Dat geldt voor de zorg, maar dat geldt helaas voor veel andere beleidsterreinen. Het is maar goed dat deze coalitie geen meerderheid heeft in de Eerste Kamer.