Posts tonen met het label verkiezingen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verkiezingen. Alle posts tonen

donderdag 2 september 2021

Inhoud: verkeerde volgorde

De volgorde: probleemanalyse - voorstellen - inhoudelijk debat - verkiezingen - kabinetsformatie wordt nu omgekeerd. Dat ondermijnt democratie en vertrouwen

Met de benoeming van Johan Remkes tot informateur is een nieuwe fase in de kabinetsformatie aangebroken. Velen klagen erover dat de formatie zo lang duurt. Dat is in dit geval mede het gevolg van de gebrekkige verkiezingscampagne en het ontbreken van inhoudelijk debat.

In de verkiezingscampagne die voorafging aan de Tweede Kamerverkiezingen van 17 maart was nog minder ruimte voor inhoudelijk debat dan bij voorgaande verkiezingen. Er was geen mogelijkheid voor bijeenkomsten waar gediscussieerd werd en in de televisiedebatten ging veel aandacht naar de maatregelen tegen de Covid-19 pandemie.

En dat, terwijl het noodzakelijk is op allerlei terreinen maatregelen te nemen. Het klimaat, de arbeidsmarkt, de zorg, het onderwijs, de woningmarkt vragen om beleid dat de inmiddels al te duidelijk geconstateerde problemen oplost. En een serieuze aanpak van deze problemen is urgent. Zoals Herman Tjeenk Willlink in zijn Eindverslag als informateur opmerkt: ‘Vertrouwen van burgers in de overheid is afhankelijk van de zekerheid die de overheid kan bieden bij het oplossen van maatschappelijke problemen; nu, in de komende maanden in de jaren die voor ons liggen. (…..) De formatie moet in dienst van dat vertrouwen staan.’

Die zekerheid waar Tjeenk Willink het over heeft, kun je alleen krijgen als een beleid wordt gevoerd dat stevig in elkaar zit en dat kan alleen als er goed over gediscussieerd is en alle consequenties goed zijn doordacht. Daar is nu geen sprake van, vandaar dat het beleid zwabbert van het ene extreem naar het andere. Er zijn vele voorbeelden, denk alleen maar aan het begrotingsbeleid: in de periode 2012-2017 moest er met alle macht (en in strijd met wat economisch verstandig is) bezuinigd worden, nu is het begrotingstekort geen issue meer.

De reden dat de kabinetsformatie zo lang duurt, is dat er tot nu toe nog niet over de inhoud van het beleid is gesproken, niet tijdens de formatie tot nu toe, maar ook niet in de verkiezingscampagne. En eigenlijk zou ook dat te laat zijn. Om een verstandig beleid te voeren en om de kiezer echt een keus te geven, moeten de verschillende beleidsalternatieven al in een vroeg stadium besproken worden; dat geldt niet alleen de beleidsalternatieven van de politieke partijen, maar ook van denktanks, wetenschappers e.d. Pas na een goed inhoudelijk debat, kunnen politieke partijen besluiten bepaalde voorstellen in hun verkiezingsprogramma op te nemen. En in de verkiezingscampagne kunnen de politici dan de door hun partij gekozen oplossing verdedigen. Op deze manier heeft de kiezer daadwerkelijk invloed op het beleid en kan er een beleid gevoerd worden dat consistent is.

Daar is nu geen sprake van. De verkiezingen zijn gehouden zonder noemenswaardig inhoudelijk debat over de hierboven genoemde onderwerpen. Debatten gingen hoofdzakelijk over de coronamaatregelen en voor zover over de andere – even urgente – onderwerpen gesproken werd, was dat zeer oppervlakkig. Vervolgens kwamen de verkiezingen en pas bij het (in)formatieproces komt de inhoud van het te voeren beleid ter sprake. De kiezer wordt straks geconfronteerd met een regeerakkoord waar allerlei verrassingen in staan en waar hij nauwelijks invloed op heeft kunnen uitoefenen. Dat staat op gespannen voet met de democratie en het zal zeker het vertrouwen van de burger in de overheid niet ten goede komen. Integendeel! Voorkomen moet worden dat – zoals bij de formatie in 2012 – afspraken worden gemaakt om allerlei zake overhoop te halen zonder dat de kiezer daar van te voren van op de hoogte was.

Als je daadwerkelijk het vertrouwen van de burger in de overheid wilt versterken, zul je opnieuw verkiezingen moeten houden die voorafgegaan worden door goede inhoudelijke debatten over de verschillende oplossingen die de politieke partijen hebben om de meest prangende problemen op te lossen. Wat nu gebeurt, is in feite de verkeerde volgorde. En dat gaat ten koste van de democratie, en ook van de kabinetsformatie.

 

Sammy van Tuyll

www.libdem.nl

maandag 15 maart 2021

Onbetrouwbare verkiezingen

Aanstaande woensdag worden, midden in de pandemie, Tweede Kamerverkiezingen gehouden. Zijn die wel democratisch? En is het zinvol om tijdens een pandemie verkiezingen te houden?

Een maand geleden was er nog een debat over de vraag of de verkiezingen wel door moesten gaan. Enkele burgemeesters uitten toen zorgen over de veiligheid van verkiezingen. Zij pleitten voor uitstel en wilden in ieder geval dat aan het Outbreak Management Team advies zou worden gevraagd. Dat advies is er nooit gekomen, ook al waren OMT leden bezorgd over het besmettingsrisico tijdens verkiezingen. Uitstel zou inderdaad zo gek niet zijn geweest. In Frankrijk zijn de regionale verkiezingen vanwege de pandemie uitgesteld en in Duitsland zijn de deelstaatverkiezingen in Thüringen doorgeschoven van 25 april naar 26 september. Maar niet in Nederland.

In deze discussies ging het vooral om de veiligheid van het stemmen zelf. Zou het wel veilig zijn om naar het stemhokje te gaan? Vanwege twijfel daarover wordt verwacht dat de opkomst bij deze verkiezingen vanwege corona lager zal zijn dan normaal. Dit betekent dat de uitslag als gevolg van de lage opkomst vertekend zal zijn.

Maar dat is niet de enige reden om te twijfelen over de waarde van deze verkiezingen. Er zijn twee belangrijkere bedenkingen tegen het houden van verkiezingen in corona tijd.

Ten eerste kan er met de huidige beperkingen niet of nauwelijks campagne worden gevoerd. In verkiezingstijden moeten de debatten niet alleen op TV of online worden gevoerd, maar ook in zaaltjes, op straat, op verkiezingsmarkten, etc. Daar is nu geen sprake van.

Ten tweede wordt het nieuws en de discussie grotendeels opgeëist door de pandemie. En de bestrijding van de pandemie is niet de essentie van het beleid dat de komende vier jaar gevoerd moet worden. 

Er zijn een aantal belangrijke onderwerpen die met de nodige urgentie moeten worden aangepakt: klimaat, arbeidsmarkt, woningmarkt, zorg, onderwijs, Europa, tweedeling in de samenleving. Deze vragen alle om een fundamentele discussie die verder gaat dan een enkel televisiedebat of een één op één gesprek. Maar als de aandacht overwegend naar de pandemie en de daartegen genomen maatregelen gaat, komen deze onderwerpen nauwelijks aan bod. Dit zijn echter wel onderwerpen die bij de formatie direct op tafel komen te liggen. Te verwachten valt dat er straks in een regeerakkoord ingrijpende maatregelen worden aangekondigd die in de verkiezingscampagnes niet of nauwelijks besproken zijn. Al vóór de verkiezingen kun je daarom de conclusie trekken dat de kiezers zich straks bedrogen zullen voelen, omdat zij niet op de hoogte waren van het voorgenomen beleid en de argumenten die daar voor of tegen pleiten, laat staan dat zij zich daarover hebben kunnen uitspreken.

De komende verkiezingen kunnen daarom niet of nauwelijks als democratisch gezien worden. De uitslag ervan zal onbetrouwbaar zijn, zeker gelet op alles wat de komende jaren op het spel staat. 

Het zou daarom beter zijn als in 2022 – als de pandemie hopelijk voorbij is – opnieuw verkiezingen worden gehouden.

 

Sammy van Tuyll

www.libdem.nl

 

 

 

dinsdag 14 maart 2017

Afstrepen

Vanaf het moment dat LibDem besloot om vanwege het gebrek aan inhoudelijk debat niet mee te doen aan de verkiezingen, kregen wij van vele kanten de vraag om een stemadvies uit te brengen. Dat is geen makkelijke opgave: er is geen partij die een werkbare oplossing biedt voor de problemen waar Nederland nu mee te maken heeft: de tweedeling op de arbeidsmarkt, de zorg, het milieu, Europa om er maar enkele te noemen. Zelfs niet op één van deze terreinen. Sommige partijen hebben voor de zorg wel allerlei plannen, maar deze zijn vaak niet consistent en verschuiven de problemen alleen maar. Hetzelfde geldt voor een onderwerp als de arbeidsmarkt.

Er is dus geen partij waar wij uit volle overtuiging op kunnen stemmen. Het gaat er dan om de minst slechte partij te kiezen. Dat is een kwestie van afstrepen dus. Wij zullen dan ook geen eenduidig stemadvies geven, maar slechts enkele overwegingen met betrekking tot de op dit moment grootste partijen in de peilingen..

Vooraf nog twee opmerking:  over de afgelopen kabinetsperiode en over de rechtsstaat.

Het kabinet en veel media doen alsof het een geweldige prestatie zou zijn dat Rutte II de economie weer op orde heeft gebracht en dat zij de rit hebben uitgezeten. Hierbij vallen kanttekeningen te plaatsen. Ten eerste is de economie weer op gang gekomen doordat de wereldhandel aantrekt. Het kabinetsbeleid om zo onverantwoord veel te bezuinigen heeft de economie eerder schade berokkend dan goed gedaan. Zie hiervoor o.a. de analyse van de ING: Leidt snoei tot groei? Het kabinet Rutte II heeft een pro-cyclisch beleid gevoerd – hetgeen economisch onverstandig is – waardoor eerst veel wegbezuinigd is, waar nu weer in ‘geinvesteerd’ moet worden. Denk aan de verpleeghuizen. Denk aan defensie. Los van de onrust die dat voor betrokkenen heeft veroorzaakt is dit economisch inefficient. Ten tweede is het feit dat het kabinet de rit heeft uitgezeten eerder te danken aan de slechte peilingen van de coalitiepartners dan aan een duidelijke gemeenschappelijke visie en een overtuigend beleid. Geen van de coalitiepartners had, gelet op de peilingen, belang bij een breuk. Zij waren dus wel tot elkaar veroordeeld.

Het bezuinigingsbeleid van Rutte II heeft verder een aantal desastreuze maatregelen met zich gebracht. Zoals de decentralisatie van de Rijkstaken op het gebied van o.a. langdurige zorg, jeugdzorg en arbeidsmarktbeleid naar de gemeenten. Het valt te verwachten dat dit over enkele jaren weer teruggedraaid zal worden, zodat het per saldo veel onrust en ook geld zal hebben gekost. Denk ook aan de ellende met de pgb’s: nog steeds is de SVB niet in staat facturen aan zorgverleners tijdig en behoorlijk – d.w.z. het juiste bedrag -  uit te betalen.

Dan over de rechtsstaat. De Commissie ‘Rechtsstatelijkheid in verkiezingsprogramma’ van d Nederlandse Orde van Advocaten heeft een rapport uitgebracht waarbij de verkiezingsprogramma’s getoetst worden aan de gevolgen voor de rechtsstaat. Zij hebben die met een groene, oranje en rode kleur beoordeeld. Het laatste houdt in dat het betreffende verkiezingsprogramma plannen bevat die regelrecht in strijd zijn met de rechtsstaat. Van de getoetste politieke partijen heeft de PVV zes keer rood gekregen, VNL vier, de SGP en VVD ieder twee en het CDA één.

Uit het bovenstaande volgt dat het verstandig is niet op één van de coalitiepartners – VVD en PvdA – te stemmen. De kiezer kan daarmee een duidelijk signaal geven dat het kabinetsbeleid van de afgelopen jaren wordt afgekeurd. Voor de VVD geldt daarbij in het bijzonder nog de chaos die zij op het departement van Veiligheid en Justitie hebben achtergelaten – het samenvoegen van politie en justitie staat haaks op de noodzakelijke checks and balances waar wij als liberalen zo veel belang aan hechten. Bezwaar tegen de VVD zijn verder de plannen om de uitkeringen voor de bijstandsgerechtigden te verlagen en voor het invoeren van een kiesdrempel, hetgeen ten koste gaat van de democratie. Aan de PvdA kan het ineffectieve arbeidsmarktbeleid van vice-premier Asscher (Wet Werk en Zekerheid) verweten worden alsook de chaos met de pgb’s.

Over de grootste oppositiepartij – de PVV – met een verkiezingsprogramma van één A4 - hoeven wij niet veel te zeggen.

D66 zegt parmantig ‘verantwoordelijkheid te hebben genomen’, door deel te nemen aan de zgn. ‘constructieve oppositie’. Maar eigenlijk heeft D66 juist geen verantwoordelijkheid genomen doordat zij geen echte oppositie hebben gevoerd. D66 heeft daarmee het kabinetsbeleid ondersteund, hetgeen een contra-indicatie is om op D66 te stemmen. D66 heeft weliswaar in haar verkiezingsprogramma een aantal ideeën van LibDem overgenomen die de democratie in Europa versterken, in Nederland stelt zij maatregelen voor die minder gelukkig zijn. Zo wil D66 de Eerste Kamer afschaffen en een bindend correctief referendum invoeren. Dit zij weer  typisch half doordachte ‘leuke ideetjes’ van D66. Als zij tot uitvoering zouden komen, zal dat zeker ten koste van de democratie en de bestuurbaarheid van het land gaan.

Het CDA heeft zich wel als echte oppositiepartij opgesteld en daarmee haar verantwoordelijkheid als politieke partij genomen. Het CDA wil evenwel ten dele een districtenstelsel invoeren, alsmede een kiesdrempel. Beide maatregelen tasten de democratie aan.

GroenLinks heeft van de deelnemende partijen de meest ambitieuze milieuplannen. Voor een deel lijkt dat op de plannen van LibDem, nl het invoeren van een algemene heffing op de uitstoot van CO2. Alleen doet GroenLinks het niet in Europees verband, waardoor de maatregel ineffectief zal zijn. GroenLinks laat hierbij na om een Border Carbon Adjustment mechanisme in te voeren; daardoor wordt de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven  aangetast. Verder wil GroenLinks nog een aantal extra belastingen invoeren alsook rekeningrijden. Dit zijn overbodige maatregelen.

Dit zijn een aantal overwegingen om wel of niet op een partij te stemmen. Zoals gezegd, is er geen enkele partij die consistente oplossingen biedt voor de problemen waar wij nu mee te maken hebben. Het is daarom niet makkelijk om een keus te maken, en deze is niet overtuigend. LibDem ondersteunt daarom de oproep van Bewust Zwevende Kiezer, nl. om op kandidaat nummer 20 van de gekozen lijst te stemmen. Twintig staat symbool voor twijfel. Als genoeg kiezers op een kandidaat nummer 20 stemmen, wordt daarmee kenbaar gemaakt dat de stemmen met de nodige twijfel zijn uitgebracht. Daarmee kan een signaal worden gegeven.



Sammy van Tuyll

maandag 16 maart 2015

Decentralisatie ondoordacht: de kiezer aan het woord?

Langzamerhand beginnen de gevolgen door te dringen van de decentralisatie van verschillende taken op het gebied van zorg en sociale zekerheid naar de gemeentes. Duidelijk is dat er grote verschillen zijn tussen de wijze waarop de gemeente hun nieuwe taken invullen en ook dat de budgettaire gevolgen voor de gemeentes zeer verschillend zijn. Dat is een logische consequentie van de decentralisaties. Ook begint duidelijk te worden dat sommige vormen van hulp in bepaalde gemeentes niet meer verstrekt gaan worden. Waar mensen eerst te maken hadden met eensluidende criteria (landelijk), pakt dat door de decentralisatie in een aantal gemeentes heel anders uit. De decentralisaties zijn niet goed doordacht, zij zijn schadelijk voor de economie en zullen tot hoge maatschappelijke kosten leiden. Daar is nooit een goed politiek debat over gevoerd en de kiezer heeft zich daar niet over kunnen uitspreken. Nu, met de Provinciale Staten verkiezingen op 18 maart – in zekere zin - wel.

Al ruim een tiental jaar hevelt het Rijk allerlei taken naar de gemeentes over onder het motto van bezuinigingen, waarbij – ten onrechte – gesteld wordt dat uitvoering door de gemeente efficiënter zou zijn. Dat begon met de Wet Werk en Bijstand (WWB) in 2004, toen de gemeentes met de bijstand werden opgezadeld. Per 1 januari 2015 zijn daar drie majeure decentralisaties bij gekomen en heeft de gemeente nieuwe taken gekregen op het gebied van Jeugdzorg, langdurige zorg en hulp bij het vinden van werk.

Deze decentralisaties zijn doorgedrukt om bij het Rijk bezuinigingen door te voeren. De taken zijn naar de gemeentes overgeheveld – of liever gezegd: over de schutting gegooid. Op het totale budget dat de gemeentes hiervoor krijgen, is fors gekort onder het motto dat de gemeentes ‘dichter bij de burger’ zouden staan en de taken dus efficiënter zouden kunnen uitvoeren. Deze decentralisaties zijn conceptueel niet goed doordacht. Er zijn drie basisproblemen: zij zijn economisch inefficiënt, zij leiden tot ongelijkheid tussen gemeentes en zij gaan ten kosten van de rechtszekerheid en de democratische controle.

Dat de decentralisaties economisch inefficiënt zijn moge duidelijk zijn: de 393 Nederlandse gemeentes moeten ieder hun eigen beleid ontwikkelen, waarbij ambtenaren ieder voor zich opnieuw het wiel moeten uitvinden. Het is veel efficiënter als dit beleid centraal door het Rijk wordt bepaald,. , waarbij een uniform, landelijk beleid uiteraard  zo ‘dicht bij de burger’ kan worden uitgevoerd door decentrale vestigingen van het Rijk. Het is een misvatting dat ‘dicht bij de burger’ en maatwerk per se inhouden dat de uitvoering door de gemeente moet worden gedaan. De decentralisatie is economisch inefficiënt en leidt tot hogere kosten, die uiteindelijk door de belastingbetaler gedragen moeten worden.

Als iedere gemeente zijn eigen beleid moet voeren, leidt dat uiteraard tot ongelijkheid tussen gemeentes. De ene gemeente zal bepaalde kosten vergoeden die bij de andere geweigerd worden, hetgeen onder meer zal afhangen van de financiële positie van de gemeente, het beroep dat op de zorg wordt gedaan en de toevallige voorkeuren van de behandelend ambtenaar dan wel de verantwoordelijke wethouder. Dat is een kennelijk bedoeld effect van de decentralisatie. Maar is dat wenselijk? De zorgkosten worden uiteindelijk gefinancierd door belastingen die het Rijk heft. Wij betalen allen dezelfde belasting, maar krijgen er een ander product voor terug, afhankelijk van de gemeente waarin wij wonen. Daarbij komt dat gemeentes die door hoge zorgkosten en andere kosten weinig middelen hebben, minder aantrekkelijk zijn als woonplaats; wie de keus heeft zal daar niet gaan wonen. Dat verzwakt op termijn de financiële draagkracht van de betreffende gemeente die zo nog meer in de kosten moet snijden. Tenslotte wordt deze ongelijkheid ten onrechte verward met maatwerk. Maatwerk houdt in dat je maatregelen neemt die toegesneden zijn op het specifieke geval. Maar maatwerk hoeft niet in te houden dat gelijke gevallen ongelijk behandeld worden, integendeel.

Door onzekerheid of kosten vergoed gaan worden, tast de decentralisatie de rechtszekerheid aan. Burgers weten niet meer waar zij aan toe zijn. Ten onrechte wordt daarbij gesteld dat het democratischer zou zijn omdat het beleid door de gemeente bepaald wordt en zo ‘dicht bij de burger’ wordt gecontroleerd. Je moet er toch niet aan denken dat bij gemeentelijke verkiezingen straks een rol gaat spelen dat mevrouw A een traplift heeft gekregen ten koste van de huishoudelijke hulp van meneer B.  Die discussie krijg je als je het beleid en de democratische controle daarop ‘dicht bij de burger’ wilt brengen.

De basisgedachte achter de hele operatie is geweest dat de Rijksoverheid niet goed (op afstand) kan managen, waardoor onnodige kosten worden gemaakt. Dat moge waar zijn, maar dan moet het probleem als zodanig worden aangepakt. Zet goede managers op de taken die het Rijk moet uitvoeren. Dat doet denken aan een andere operatie om dezelfde reden: de verzelfstandiging van de NS. Ook hierin moest ‘marktwerking’ worden geïntroduceerd omdat de NS als staatsbedrijf niet goed werd gemanaged. Ook dat was niet goed conceptueel doordacht. De gevolgen ervan hebben wij inmiddels ervaren en men denkt er aan dit terug te draaien. De onderhavige decentralisatie is net zo ondoordacht, met veel grotere maatschappelijke gevolgen.

Veel mensen in het land voelen dat het beleid niet goed doordacht is en desastreuze gevolgen zal hebben. Het merkwaardige is dat het toch doorgedrukt is, ondanks grote weerstand. Probleem is dat de politiek nooit ten principale een discussie over de decentralisaties heeft gevoerd. De decentralisatie wordt doorgevoerd als onderdeel van een vermeende bezuiniging. Een dergelijk beleid wordt al ruim een decennium gevoerd en bijna alle politieke partijen in de Tweede Kamer hebben zich eraan gecommitteerd. De kiezer heeft tot nu toe weinig keus voor een verstandiger beleid. Het gebrek aan discussie hierover tast in feite het vertrouwen in de democratie aan. Op 18 maart a.s. heeft de kiezer in ieder geval een kans om zich indirect hierover uit te spreken. In veel provincies doen regionale partijen mee, die zich ten behoeve van de Eerste Kamerverkiezingen in mei verenigd hebben in de Onafhankelijke Senaatsfractie (OSF). Stemmen op deze niet-Haagse partijen kan als een signaal worden gezien dat de kiezer zich niet in dit beleid van ondoordachte decentralisaties kan vinden.

Sammy van Tuyll, 16 maart 2015

dinsdag 18 maart 2014

Stem lokaal!




Het zijn merkwaardige gemeenteraadsverkiezingen. Weliswaar gaat het om de gemeentelijke democratie, maar de landelijke politici voeren campagnes en houden ook onderlinge debatten. Daarbij komt van alles aan de orde, maar niet het onderwerp waar de gemeentes het meeste last van hebben: het overhevelen van allerlei Rijkstaken naar de gemeentes. Het gaat onder andere om de Jeugdzorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Participatiewet. Dit gaat gepaard met grote uitvoeringsrisico’s bij gemeenten.

Tegen deze herverdeling van taken valt veel in te brengen: ten eerste is het budget dat de gemeentes krijgen ontoereikend en is de overheveling van taken niet meer dan een verkapte bezuiniging. Het is zeer waarschijnlijk dat deze herverdeling van taken inefficiënt en dus duurder zal blijken te zijn. Gemeentes moeten immers ieder afzonderlijk deskundigheid op al deze gebieden verwerven dan wel inhuren. Bovendien ontstaat er rechtsongelijkheid tussen de inwoners van de ene gemeente en die van de andere. Veel kiezers zijn dan ook tegen de decentralisaties, maar de landelijke politieke partijen negeren dat.

Nu is de herverdeling van deze taken voor de gemeente een gegeven: de landelijke politiek heeft er toe besloten. Maar gelet op de weerstand bij veel kiezers tegen deze herverdeling, zou je verwachten dat dit thema een grote rol speelt in het landelijk debat. Niets is minder waar. Er is – met uitzondering van LibDem – geen enkele partij die zich uitdrukkelijk tegen deze herverdeling van taken heeft uitgesproken.

Aan de meeste partijen in de Tweede Kamer is onlangs uitdrukkelijk de vraag gesteld of – indien zou blijken dat de decentralisaties inderdaad tot meer inefficiënties en dus hogere kosten leidt – zij bereid zouden zijn deze terug te draaien. Dat is een logische vraag, waarop een verstandige politieke partij zeker een antwoord zou moeten geven. Alleen de SGP heeft de vraag beantwoord, met als strekking dat zij er nog niet van overtuigd zijn dat terugdraaien uiteindelijk een optie zal zijn, omdat dit volgens hen ook geld zal kosten. Zij zetten dan liever in op het verbeteren van de dan gesignaleerde knelpunten. Dat is tenminste een duidelijk antwoord. De andere partijen denken kennelijk niet over deze vraag na.

De decentralisatie van Rijkstaken is het belangrijkste onderwerp waar de gemeentes de komende jaren mee te maken. Nu dit in de verkiezingscampagnes nauwelijks een rol speelt, zullen veel kiezers uit onvrede wegblijven. Maar de kiezer kan ook een signaal afgeven dat hij vindt dat de landelijke politieke partijen hier verkeerde keuzes maken. Dat kan door in ieder geval niet op een landelijke partij, maar op een lokale partij te stemmen!



donderdag 13 september 2012

Uitslag verkiezingen

De uitslag van de verkiezingen van gisteren is verrassend: grote winst voor VVD en PvdA: 41 en 39 zetels. En dat is veel meer dan aanvankelijk verwacht. Met name voor de PvdA, die drie weken geleden nog 18 zetels in de peilingen haalde, is dat een grote prestatie. De felicitaties gaan uit naar Mark Rutte en Diederik Samsom. Ook felicitaties voor nieuwkomer 50 Plus die met twee zetels in de Kamer vertegenwoordigd zal zijn.

Het resultaat voor LibDem is geheel in overeenstemming met de aandacht die wij in de media kregen: gemiddeld 0,0%. Alleen in Vlist (ZH) halen wij 0,7%, hetgeen genoeg is voor één Kamerzetel. Geen van de andere nieuwe partijen heeft een resultaat behaald dat maar enigszins in de buurt komt van een halve Kamerzetel. De Piratenpartij scoort met 0,3% nog het best.

De grote verliezer van deze verkiezingen is de kiezer. In de campagne is te weinig aandacht geweest voor de inhoud en de zaken waar het echt om gaat. Het belangrijkste onderwerp in de media was wie de grootste partij zou worden en als dat eenmaal belangrijk wordt gevonden, kan de kiezer bijna niet anders dan daar rekening mee houden.

Naast de kiezer heeft ook de politiek verloren: de inhoud is immers volstrekt onbelangrijk geworden. Vorm en resultaat is het enige dat telt. Kennelijk wordt politiek als een soort ‘Voice of Holland’ beschouwd. Zouden wij de volgende keer per sms mogen stemmen?

De kiezer heeft gesproken, maar niet met overtuiging. Tot één dag voor de verkiezingen wist 40% van de kiezers nog niet op wie zij zouden stemmen. Veel kiezers hebben hun stem strategisch uitgebracht om te verhinderen dat een andere partij de grootste zou worden. Dat betekent bijna per definitie niet een stem op een partij waar je echt achter staat. Dit zal het vertrouwen in de politiek niet vergroten.

Daarbij komt dat over de vraag die nu het belangrijkste is, namelijk hoe Nederland uit de crisis komt, nauwelijks gesproken is. Uit direct contact met kiezers bleek dat het standpunt van LibDem, namelijk eerst de economie weer op gang brengen en dan pas de overheidsfinanciën saneren, veel kiezers aansprak. Maar als deze vraag in de media niet gesteld wordt en er verder niet over gediscussieerd wordt, kan de kiezer er zich niet echt over uitspreken.

Iedereen gaat er van uit dat VVD en PvdA met deze verkiezingsuitslag tot elkaar veroordeeld zijn. Of zij een coalitie kunnen vormen, zal in de komende weken moeten blijken, los van de vraag of deze coalitie stabiel zal zijn. Gelet op de ingenomen standpunten, zal dat heel lastig zijn en zal dat ook niet kunnen zonder dat zij hun beloftes aan de kiezer schenden. Ook dat is verlies voor de kiezer.

Nu de coalitie gevormd zal worden door een partij met een liberale inslag en een sociaal-democratische partij, zou je kunnen verwachten dat dit tot een sociaal-liberaal beleid zal leiden. Te vrezen valt echter dat er een beleid uit komt dat noch liberaal noch sociaal is.

LibDem heeft intensief campagne gevoerd met een klein, maar enthousiast team. Gelet op de reacties die wij kregen, bleek hoe veel enthousiasme er voor de standpunten van LibDem was. De respons was goed, maar het bereik beperkt. Dit heeft ons kiezers opgeleverd die gestemd hebben voor een visie, voor een beleid waar zij achter staan, maar ook voor een beleid dat veel meer mensen aanspreekt dan uit deze verkiezingsuitslag blijkt.

Vanaf deze plaats wil ik alle kiezers die op LibDem hebben gestemd danken voor het vertrouwen en hun steun. De kiezers van LibDem behoren op dit moment tot een select gezelschap, een voorhoede. Wij zijn het aan hen verplicht om nu verder te gaan. Nederland heeft duidelijk behoefte aan een sociaal-liberale partij met een goed gefundeerde ideologie en visie.

De campagne voor de volgende verkiezingen is vandaag begonnen!

 
www.libdem.nl

dinsdag 11 september 2012

Een verloren stem?

Vandaag in Amsterdam met vier mensen geflyerd en het is verheugend te zien hoe veel positieve reacties LibDem krijgt. Er was zelfs een mevrouw die de flyer min of meer uit mijn handen griste en uitriep dat zij uitgekeken had naar een echt liberale partij. Weer een stem binnen!

Maar er zijn ook mensen die zeggen dat zij eigenlijk wel op LibDem zouden willen stemmen maar bang zijn dat hun stem verloren zou gaan als LibDem geen zetel zou behalen.

Is er dan sprake van een verloren stem? Nee, integendeel.

Goed beschouwd is iedere stem verloren die niet exact nodig is om een zetel te behouden. Stel dat de kiesdeler 60.000 stemmen is. Als een partij met 1.200.000 stemmen 20 zetels behaalt, is iedere stem meer verloren en gaat naar een andere partij. Pas bij 1.260.000 zetels haalt de partij 21 zetels en zijn de 60.000 extra stemmen zinvol. Maar in een dergelijk geval spreekt niemand van een ‘verloren stem’.

Bij een nieuwe partij, waarvan het niet zeker is of die een zetel zal behalen, gebeurt in feite hetzelfde. Er is net zo min sprake van een verloren stem als bij een grotere partij die net geen 21 zetels haalt.

Voor de Nederlandse politiek zou het veel uitmaken of LibDem al of niet een zetel behaalt. Zelfs met één zetel kan LibDem in de Kamer een eigen geluid laten horen en – wellicht belangrijker – kritische vragen stellen bij voorgenomen maatregelen die ondoordacht zijn.

Of LibDem op 12 september een zetel zal halen valt, bij gebrek aan betrouwbare peilingen, niet te voorspellen. Gelet op de respons die wij krijgen, zou een zetel voor de hand liggen, maar wij weten dat wij niet alle kiezers hebben weten te bereiken.

Maar ook een halve zetel zou al een duidelijk signaal zijn dat de kiezer een ander beleid wil, op het gebied van economie, Europa, de zorg. Dat er tenminste kiezers zijn die een verstandig macro-economisch beleid willen voeren, ook al wordt dat geluid dan niet in de Kamer gehoord.

Veel kiezers overwegen – mede op basis van de peilingen – om ‘strategisch’ te stemmen: stemmen op een partij die niet de eerste voorkeur heeft, maar m te zorgen dat die partij de grootste wordt, dan wel dat een andere partij niet de grootste wordt. Dit ‘strategisch’ stemmen is dan gebaseerd op de staatsrechtelijke misvatting dat de grootste partij in de Kamer in alle gevallen de premier mag leveren en het beleid bepaalt.

‘Strategisch’ stemmen heeft echter tot gevolg dat de partij van je eerste keus stemmen – en wellicht ook zetels – misloopt. Het zal leiden tot machtsverhoudingen in de Kamer en daarmee tot een beleid dat afwijkt van de voorkeur van de kiezers. Daarmee wordt de afstand van de kiezer tot de politiek vergroot.

Stemmen op een partij die niet je eerste keus is, dat is pas echt een verloren stem. Dat geldt voor een ‘strategische’ stem op een partij van tweede keus. Dat geldt ook voor een stem die anders naar LibDem zou gaan.

 
www.libdem.nl

zaterdag 8 september 2012

Werkloos door massapsychose

In alle verkiezingsprogramma’s van de partijen die nu in de Tweede Kamer vertegenwoordigd zijn, wordt fors bezuinigd: van 22 mrd bij de VVD tot 10 mrd bij GroenLinks. En dat heeft gevolgen. De binnenlandse bestedingen nemen door deze maatregelen af en de werkloosheid stijgt. Volgens het Centraal Planbureau stijgt de werkloosheid bij alle partijen, bij de PvdA en D66 zelfs met meer dan 100.000 personen. En dat zijn dan full time banen! Bij de VVD stijgt de werkloosheid minder, met ‘slechts’ 60.000 personen.

Deze plannen betekenen niet alleen dat de werkloosheid stijgt, maar ook dat meer bedrijven failliet zullen gaan. En dat zullen met name bedrijven zijn die voor de binnenlandse markt produceren. Vooral het mkb, dus.

De reden dat men wil bezuinigen is vanwege het begrotingstekort van de overheid en een oplopende staatsschuld. Het ironische is dat de staatsschuldquote – de verhouding tussen de staatsschuld en het bruto binnenlands product – bij de VVD en de PvdA juist stijgt. Het beoogde effect wordt dus niet bereikt!

Zoals ik al eerder in een blog uiteenzette, zijn deze politici bezig de crisis van de jaren tachtig te bestrijden. Toen was er in Nederland sprake van een klassieke werkloosheid: de lonen waren te hoog ten opzichte van de prijzen, er was een tekort op de betalingsbalans en er was sprake van een heel hoge rente. Onder die omstandigheden was het verstandig te bezuinigen. Nu niet. Verkeerde diagnose en verkeerde therapie dus.

LibDem staat met deze constatering niet alleen. Veel gerenommeerde economen vinden dat het in deze omstandigheden niet verstandig is te bezuinigen. In het buitenland zijn dat onder meer Nobelprijswinnaar Paul Krugman, hoofdeconoom van het IMF Olivier Blanchard en het Britse blad The Economist. In Nederland zijn dat de hoogleraren Eduard Bomhoff en Ewald Engelen en voormalig IMF-directeur en VVD-minister van Financiën Johan Witteveen.

Deze laatste verbaast zich ook over de huidige bezuinigingswoede. Gisteren wees hij in een interview in de Volkskrant op het grote overschot op de betalingsbalans en noemde het merkwaardig dat dat nooit genoemd wordt. ‘Er wordt absurd veel bezuinigd’ luidde de kop boven het interview. ‘Ik ben verbaasd, het lijkt wel een collectieve psychose. Als ze het doorzetten, worden we in een depressie gedrukt. Het is niet te begrijpen. Er is zelfs geen discussie over.’

Dat laatste is wel het meest merkwaardige. Het gaat niet om niets. Meer dan 100.000 extra werklozen door verkeerd beleid. Dat is één op de 60 werkende Nederlanders. En die komen nog eens bij de 400.000 werklozen die er zonder dit beleid toch al zullen zijn. Als gevolg van dit beleid is straks dus één op de 15 Nederlanders werkloos. Tel daarbij op alle bedrijven die failliet zullen gaan. Dat is pas echt lasten naar de toekomst verschuiven!

Het wordt nu, vier dagen voor de verkiezingen, tijd hier een debat over te voeren. Er moeten toch journalisten zijn die begrijpen waar het om gaat? LibDem is de enige partij die niet aan deze bezuinigingswoede mee wil doen en waarbij de werkloosheid dus niet extra stijgt. Dat is op dit moment ook het enige verstandige beleid. Zolang dat beleid niet gevoerd gaat worden kunnen de toekomstige werklozen in ieder geval de oorzaak van hun werkloosheid kennen: werkloos door massapsychose.

woensdag 5 september 2012

Vertrouwen in de politiek

Op zondagavond 2 september vond er in 013 in Tilburg een verkiezingsdebat plaats. Het laatste thema dat aan de orde kwam was vertrouwen in de politiek.

Namens LibDem heb ik uitgelegd dat vertrouwen vooral te maken heeft met consistentie van het beleid en dat het daarvoor noodzakelijk is vanuit een bepaalde ideologie te handelen: een visie op de samenleving in de 21e eeuw. Bij veel partijen ontbreekt een dergelijke visie en dat verklaart waarom er nu nog zo veel zwevende kiezers zijn.

LibDem heeft de visie op de samenleving en economie neergelegd in het manifest ‘Én liberaal én sociaal’. Hierin staat de vrijheid van het individu centraal en wordt uitgelegd dat je daarvoor een sterke, betrouwbare overheid nodig hebt. Dat laatste vraagt weer om betrouwbare, consistente politieke partijen. En die zijn schaars.

Enkele voorbeelden uit het recente verleden kunnen dat verduidelijken. De partijen van het Kunduz-akkoord hebben een aantal maatregelen genomen die ondoordacht en zeer onrechtvaardig waren. Onder meer de forensentaks, de langstudeerboete en de werkloosheidsuitkering die zes maanden voor rekening van de werkgever komt. De forensentaks is onrechtvaardig omdat het een belasting legt op diegenen die een baan ver van huis hebben geaccepteerd. De langstudeerboete is in ieder geval onrechtvaardig omdat deze ook geldt voor studenten die nu al studeren en hun studietempo niet met terugwerkende kracht kunnen aanpassen. En de werkloosheidsuitkering die voor rekening van de werkgever komt, is met name voor de kleinere ondernemer zeer nadelig en kan zelfs tot faillissement leiden.

Allemaal zeer ondoordachte en onrechtvaardige maatregelen. Onder druk van de verkiezingen willen de meeste partijen de forensentaks en de langstudeerboete terugdraaien. De VVD wil onder druk van de verkiezingen de werkloosheidsuitkeringen voor rekening van werkgevers terugdraaien. Mooi dat de partijen tot inkeer komen en inzien dat hun maartregelen niet deugen. Goed dus dat zij teruggedraaid worden.

Maar ernstiger is echter het feit dat deze maatregelen hoe dan ook genomen zijn. Wie verzint zoiets? En op welke visie is dit deze gebaseerd? En als iemand zoiets verzint, is er dan niemand in de omgeving, zoals partijgenoten of ambtenaren, die op de onrechtvaardigheid van de maatregel wijst? Ook kan de vraag gesteld worden wat er gebeurd zou zijn als er geen verkiezingen in aantocht waren. De behandeling van de langstudeerboete vorige week doet vermoeden dat deze maatregelen dan gewoon worden doorgezet.

Partijen die dit soort maatregelen bedenken dan wel steunen laten zien dat zij ondoordacht bezig zijn. Er is geen enkele garantie dat zij na de verkiezingen niet opnieuw ondoordachte en onrechtvaardige maatregelen nemen. Dat geeft weinig vertrouwen. Geen wonder dat de helft van de kiezer nog niet weet op wie hij gaat stemmen. Gelukkig zijn er steeds meer kiezers die LibDem ontdekken.

LibDem heeft over deze zaken wel nagedacht en zal, op het moment dat er weer ondoordachte maatregelen genomen dreigen te worden, dat in ieder geval in de Tweede Kamer aan de orde stellen. Nederlanders hebben recht op een goed debat en meer doordachte besluiten.
www.libdem.nl

dinsdag 4 september 2012

Zorgen over de zorg

 
Veel kiezers maken zich zorgen over de zorg: zowel over de betaalbaarheid als over de kwaliteit. Dat is terecht. Politici en ambtenaren dreigen met forse ingrepen in de zorg omdat deze anders onbetaalbaar zou worden en dat boezemt angst in. Is deze dreiging terecht? Niet helemaal. Ten eerste omdat de stijging van de zorgkosten minder dramatisch is dan wordt voorgesteld. Ten tweede omdat een ander beleid mogelijk is die met meer vrijheid tot minder kosten leidt. Daarom eerst een relativering en dan een voorstel voor ander beleid.

Aandeel zorg in nationaal product

Het aandeel van de zorg in het bruto nationaal product is de loop der tijd gestegen. Grafiek 1 laat het aandeel van de zorg in het bruto binnenlands product zien voor Nederland, België, Duitsland, het VK en de VS. Het betreft de bijdrage van de toegevoegde waarde in de zorg in de totale economie. In alle genoemde landen is het aandeel van de zorg sinds 1972 significant gestegen; in de VS is de stijging het grootst.
 

De stijging kan door een aantal factoren verklaard worden. In de eerste plaats is er het zogenoemde Baumol-effect: doordat de productiviteit in de dienstensector minder snel stijgt dan in de goederensector, neemt de relatieve prijs van de diensten toe. Daarnaast heeft een grotere individuele vraag aan deze stijging bijgedragen, speelt de vergrijzing een rol en is er een toename van mogelijkheden om zorg te verlenen met nieuwe technologieën. Tenslotte is de welvaart gestegen, waardoor mensen zich kunnen permitteren om meer aan zorg uit te geven.

Het is dus logisch dat het aandeel van de zorg in het BNP toeneemt. In Nederland is het aandeel van de zorg in het bruto binnenlands product (BBP) op dit moment 12%. Er zijn ook andere uitgavencategorieën waarvan het aandeel gestegen is. Zo gaf de consument in 1992 13,7% van zijn inkomen uit aan verkeer en vervoer; in 2006 was dat gestegen tot 17,1 %. Ook hier een stijging; toch maakt niemand daar een probleem van.

 


 
Dat neemt niet weg dat er alle reden voor is om de zorg zo effectief mogelijk te verlenen, zodat tegen zo laag mogelijke kosten de optimale zorg kan worden verleend. Wat dat betreft is er een duidelijke verbetering mogelijk. Opvallend is dat de zorgkosten het hardst gestegen zijn sinds 2006 toen in Nederland een nieuw zorgstelsel werd ingevoerd. In 2006 bedroeg het aandeel van de zorg nog 9,7% van het BBP; in 2010 was dit gestegen tot 12,0%. Een stijging van 2,3 %-punt in vier jaar tijd! In geen van de andere Europese landen uit grafiek 1 is het aandeel van de zorg in zo korte tijd zo sterk gestegen. Men kan zich dan ook afvragen of het nieuwe stelsel zo goed doordacht is.


Zorgstelsel

Het nieuwe zorgstelsel dat in 2006 is ingevoerd had één groot voordeel: het onderscheid tussen ziekenfonds verzekerden en particulier verzekerden is komen te vervallen. Verder was het stelsel gebaseerd op marktwerking. Hierbij is evenwel niet zorg gedragen dat er daadwerkelijk voldoende marktwerking is. Door fusies van zorgaanbieders en zorgverzekeraars is er vaak sprake van regionale monopolies, waardoor de keuzevrijheid - essentieel element van marktwerking - de facto afwezig is. De vraag dient dan ook gesteld te worden of het stelsel wel goed doordacht is. Daarbij is er een ingewikkeld stelsel van declaraties bedacht – de zogenoemde DBC’s – waardoor de feitelijke kosten voor de patiënt ondoorzichtig waren.

In de ogen van LibDem kent het zorgstelsel twee grote fouten. Ten eerste de gedachte dat verzekeraars zorg moeten inkopen en ten tweede het huidige eigen risico.

In het nieuwe zorgstelsel worden verzekeraars geacht zorg in te kopen en zodoende op de kosten te letten. Qua prijs is dat goed gelukt: de prijsstijgingen zijn in de zorg beperkt gebleven. Probleem is evenwel het volume: het aantal verrichtingen is toegenomen. Inherent aan het stelsel is dat verzekeraars kunnen bepalen welke zorg waar ingekocht wordt. Ook kunnen in individuele gevallen therapieën goed- of afkeuren, waarmee zij een bepalende rol hebben in de zorgverlening. Dat gaat ten koste van de kwaliteit, omdat zij onvoldoende kennis hebben voor een afgewogen oordeel.

De tweede fout betreft het eigen risico. Iedere verzekerde heeft een verplicht eigen risico; in 2013 zal dit minimaal € 350 bedragen. Dat eigen risico heeft twee nadelen: zolang het nog niet bereikt is, betaalt de patiënt alles zelf; boven het eigen risico betaalt hij niets. Het gevolg is dat je zuinig bent om de eerste € 350 per jaar aan zorg uit te geven. Dat kan betekenen dat patiënten ten onrechte afzien van een noodzakelijke therapie. Maar als het eigen risico door omstandigheden overschreden is, betaalt de patiënt helemaal niets meer. Je kunt dan het beste zo veel mogelijk zorg consumeren die je toch ooit nodig zou moeten hebben, zoals nog een extra controle bij de oogarts, e.d.


Beleid

LibDem vindt dat deze fouten in het zorgstelsel hersteld moeten worden. In de eerste plaats moet de rol van de verzekeraars weer beperkt worden tot verzekeren. De verzekeraars moeten de kosten vergoeden – en daar kritisch op toezien – maar niet “inkopen” dan wel de therapie bepalen. De patiënt moet in overleg met de (huis)arts de vrijheid hebben de therapie en de zorgaanbieder te kiezen die hem aangeraden wordt. Dat komt de kwaliteit van de zorg ten goede. De regie moet weer bij arts en patiënt komen.

In de tweede plaats moet het eigen risico zoals dat nu bestaat veranderd worden in een proportionele eigen bijdrage. De patiënt betaalt bijvoorbeeld 10% van de zorgkosten tot een maximum van – bijvoorbeeld - € 3.000. Op jaarbasis betaalt hij dan wel maximaal € 300, maar hij heeft een veel lagere drempel in het begin omdat hij slechts 10% van de gemaakte kosten betaalt. Anderzijds is het effect van de eigen bijdrage veel groter, omdat het doorwerkt tot een jaarconsumptie van € 3.000. Inherent hieraan moet zijn dat de patiënt inzage krijgt in de kosten die gemaakt worden en dat hem gewezen wordt op eventueel goedkopere alternatieven. Hier ligt een taak voor zowel de huisarts als de verzekeraar. De patiënt heeft evenwel zelf belang bij het beperken van de zorgconsumptie tot het hoogst noodzakelijke en tot het zoeken naar goedkopere alternatieven.

Deze twee wijzigingen zullen de vrijheid om van de zorg gebruik te maken vergroten, maar zullen ook tot een kostenreductie leiden omdat de patiënt daar direct belang bij heeft. Er is alle reden om de kosten van de zorg zo veel mogelijk te beperken. Er is evenwel geen reden de stijging van de zorgconsumptie te dramatiseren en "harde ingrepen" te doen die ten koste gaan van gezondheid en daarmee van welzijn en welvaart.


 

woensdag 29 augustus 2012

Kiezen over economie



‘Er valt wat te kiezen’, aldus Coen Teurlings, directeur van het Centraal Planbureau. Met name op het gebied van economie valt er dit jaar echt wat te kiezen. De fundamentele keus is tussen verstandig en onverstandig economisch beleid.

Conform de Haagse mythe dat het nu in Nederland noodzakelijk is versneld de overheidsfinanciën op orde te brengen, doen de gevestigde partijen een wedstrijdje wie het meest kan bezuinigen. De resultaten zijn doorgerekend door het Centraal Planbureau en die liegen er niet om. Bij alle partijen daalt het bruto binnenlands product (bbp) en stijgt de werkloosheid als gevolg van de door hen voorgestelde maatregelen. De SGP en D66 zijn kampioen werkloosheid met stijgingen van 1,5 en 1,3%-punt. De enige uitzondering is de partij die het minst bezuinigt, de PVV. Bij de PVV is de economische groei 0,1%-punt hoger dan zonder maatregelen en is de werkloosheid 0,5% lager.

LibDem is voor een beleid om eerst de economie op orde te brengen, waardoor de overheidsfinanciën vanzelf weer in evenwicht komen. Als het nodig is maatregelen te nemen, kan dat beter bij een gezonde economie waarin iedereen weer aan het werk is dan in een situatie waarin er een hoge werkloosheid is. Je kunt beter niets doen dan een verkeerd beleid voeren. LibDem wil de economie wel hervormen, maar is tegen hervormingen die onbezonnen zijn en die worden doorgedrukt onder het motto dat ‘bezuinigen moet’. In dit kader komt het beleid van LibDem neer op de basisvariant van het Centraal Planbureau. En die is in veel opzichten beter dan de maatregelen die voorgesteld worden.

Waarom het economisch beleid van de gevestigde partijen onverstandig is, heb ik uitgelegd in mijn vorige blog van vrijdag 24-8. De berekeningen van het Centraal Planbureau bevestigen die analyse voor 100%.

Zo nemen bij alle partijen de binnenlandse bestedingen af ten opzichte van het basispad. Dat heeft gevolgen voor de werkgelegenheid. Zoals gezegd neemt de werkloosheid bij alle partijen (behalve de PVV) verder toe. Bij de PvdA en D66 zelfs met 1,3%-punt. Het gaat dan wel om 100.000 extra werklozen! Ook bij de VVD neemt de werkloosheid toe, zij het met ‘slechts’ 65.000. Dat deze personen in 2040 weer werk kunnen krijgen, is mooi, maar dat helpt nu niet veel.

Is dat nu verstandig beleid? Laten wij eens kijken waar het allemaal om begonnen was: de overheidsfinanciën. Door de negatieve gevolgen voor de economie en zogenaamde inverdieneffecten daalt het tekort veel minder dan wat er bezuinigd wordt. Voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën is de staatschuldquote – de verhouding tussen de staatsschuld en het bbp - een belangrijke variabele. Bij VVD, PvdA, PVV en CDA stijgt deze ten opzichte van het beleid van LibDem. Het beoogde resultaat – een stabilisering dan wel daling van de staatsschuldquote - wordt dus in het geheel niet bereikt, integendeel! Het Planbureau legt uit dat dat door het noemereffect komt: “bij veel partijen komt het nominale bbp lager uit dan in het basispad.” Met andere woorden: meer groei (LibDem) zorgt voor een lagere staatschuldquote. Alleen bij GroenLinks neemt de staatsschuldquote noemenswaardig af, maar dat komt vooral omdat de inflatie wordt aangewakkerd.

Een andere variabele, die vaak minder aandacht krijgt, is het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans. Nederland heeft al een overschot op de lopende rekening: wij verdienen als land meer dan wat wij uitgeven. Volgens het basispad stijgt dit overschot in 2017 naar 9,25% van het bbp. Dat is fors! Dat is ook onwenselijk, gelet op de werkloosheid en ook in verband met de onevenwichtigheden in Europa. Wil de eurocrisis opgelost worden, dan moeten de zuidelijke landen kunnen exporteren naar Noord-Europese landen. De Europese Unie vindt een dergelijk overschot dan ook te hoog en het zou goed zijn als Nederland weer meer zou besteden. Maar nu de beleidsmaatregelen: bij alle gevestigde partijen neemt dit overschot toe! Bij D66 zelfs met 1%-punt van het bbp. Hoezo een pro-Europese partij?

De keus is duidelijk: gaan wij door met het “saneren” van de overheidsfinanciën ten koste van de economie en de werkgelegenheid of zorgen wij eerst dat de economie weer op gang komt en zo veel mogelijk mensen weer aan het werk zijn? De gevestigde partijen zijn voor het eerste, LibDem voor het laatste. Er valt dus echt iets te kiezen!


donderdag 16 augustus 2012

Democratie en rechtstaat

Op maandag 13 augustus is de StemWijzer officieel gelanceerd. De StemWijzer wordt door veel kiezers gebruikt als hulp bij het bepalen van hun stem. Het is een nuttig instrument, waarin terecht alle partijen die meedoen aan de Tweede Kamerverkiezingen zijn opgenomen. Na het doorlopen van 30 stellingen komt een scherm waarin de kiezer kan aangeven welke partijen hij bij zijn stemadvies wil betrekken. Hierbij zijn alle bestaande partijen automatisch aangevinkt. Voor nieuwe partijen moet de kiezer een extra handeling verrichten. Vaak wordt dat over het hoofd gezien, waardoor de kiezer een onvolledig stemadvies krijgt.

Deze ongelijke behandeling staat op gespannen voet met een basisvereiste van democratie, namelijk dat alle partijen bij verkiezingen – indien mogelijk – gelijk worden behandeld. LibDem heeft daar bezwaar tegen gemaakt en riep ProDemos, de uitgever van de StemWijzer, dit te herstellen. De reactie van ProDemos was dat de ongelijke behandeling te maken heeft met de overzichtelijkheid voor de kiezer. Met andere woorden: de kiezer zou het overzicht verliezen als plotseling de Piratenpartij of LibDem boven de VVD of de PvdA zou staan. Zou de kiezer in de ogen van ProDemos dom zijn?

LibDem kreeg bijval van alle nieuwe partijen; ook Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren applaudisseerde spontaan. Dat is een duidelijk teken van een democratische instelling. Later gaven Jetta Klijnsma (PvdA) en Jolande Sap (GroenLinks) steun aan de oproep van LibDem. Sybrand van Haersma Buma (CDA) daarentegen vond de handelswijze van ProDemos acceptabel. Zou hij vergeten zijn waar de D van CDA voor staat?
Het zou de andere partijen sieren als zij de oproep van LibDem voor een gelijke behandeling zouden ondersteunen. Dan kunnen zij laten zien dat zij democratie hoog in het vaandel hebben.

Al eerder heeft LibDem bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop de StemWijzer opereert. In 2010 heeft het Platform Nieuwe Partijen in dat kader een gesprek gevoerd met de waarnemers van de OVSE bij de verkiezingen en met de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken. Beiden vonden de wijze waarop de StemWijzer was ingericht laakbaar. De staatssecretaris heeft het IPP, die destijds verantwoordelijk was voor de StemWijzer, hierop aangesproken, maar tevergeefs.

ProDemos wordt met overheidsgeld gefinancierd en noemt zich ‘Huis voor Democratie en Rechtstaat’. Dan mag je verwachten dat ProDemos daar ook naar handelt en de democratie en rechtstaat hoog in het vaandel heeft. Dat blijkt dus niet het geval te zijn.

De meeste kiezers die gewezen wordt op de handelswijze van ProDemos, begrijpen onmiddellijk dat deze ondemocratisch is en reageren verontwaardigd. Nederland kan zich niet permitteren een zo slecht voorbeeld te zijn als het om democratie en rechtstaat gaat. Hoe kunnen wij dan nog pretenderen die in andere landen te willen bevorderen?

LibDem laat het hier niet bij zitten en blijft aandringen op een gelijke behandeling van alle partijen die deelnemen aan de verkiezingen. De handelswijze van ProDemos is een democratisch land onwaardig.




dinsdag 7 augustus 2012

Werk en Zekerheid


Vandaag heeft GroenLinks laten weten een nieuwe Wet Werk en Zekerheid te willen, ter vervanging van allerlei bestaande wetten. Volgens GroenLinks zou een dergelijke nieuwe wet goed zijn om iedereen een eerlijke kans op werk te geven. Vermoedelijk haalt het voorstel veel overhoop, zonder tot een daadwerkelijke oplossing te komen. Daar is meer voor nodig: LibDem vindt dat het liberaler en socialer kan.

Werk is belangrijk. Het hebben van werk is meer dan alleen een bron van inkomen: het leidt tot sociale contacten en een actieve deelname aan de samenleving. Het is een taak voor de overheid er voor te zorgen dat iedereen het werk kan vinden dat het beste bij hem of haar past.

In principe is het inkomen dat met werken verdiend kan worden gerelateerd aan de productiviteit van de werknemer. Een modale werknemer moet in staat zijn daarvan rond te kunnen komen. Maar er zullen altijd mensen zijn die - al of niet tijdelijk - minder productief zijn en die daardoor geen werk kunnen vinden waarmee zij voldoende kunnen verdienen om zich staande te houden.

De enige manier om zorg te dragen dat ook personen die minder productief zijn aan het arbeidsproces kunnen deelnemen is door hen een suppletie te geven op het verdiende loon. Wanneer hun productiviteit bijvoorbeeld drie euro per uur is, kan de overheid daar een suppletie van zes euro per gewerkt uur aan toevoegen, zodat het netto loon negen euro per uur bedraagt, dit is ongeveer het huidige minimumloon.

Deze loonkostensuppletie kan gezien worden als een vorm van negatieve inkomstenbelasting, zoals de ‘earned income tax credit’ in de Verenigde Staten; de loonkostensuppletie is echter gerelateerd aan het uurloon en niet aan het jaarinkomen. Wie maar acht uur per week werkt voor 15 euro per uur, krijgt dus geen loonkostensuppletie.

De loonkostensuppletie die LibDem voorstelt is veel algemener dan de huidige regelingen en ook dan wat GroenLinks nu voorstelt. Het betekent dat een school tegen betaalbare kosten een conciërge in dienst kan nemen, die daarmee toch een redelijk inkomen verdient. Het betekent dat een bedrijf iemand in dienst kan nemen die bijvoorbeeld kopieerwerkzaamheden doet of de post rondbrengt. Deze mensen zijn nu zonder werk en krijgen bijstand, waardoor zij buiten het arbeidsproces staan en wat voor de overheid duurder is.

Bij de loonkostensuppletie houdt iedereen zijn vrijheid: werknemers om die baan te zoeken die het best bij ze past en werkgevers om iemand in dienst te nemen die werkzaamheden verricht die voor hun organisatie ook nuttig is. Dat is duidelijk iets anders dan wat GroenLinks voorstelt: zogenoemde ‘harde afspraken’ waarbij werkgevers gedwongen worden een bepaald aantal mensen ‘met grotere afstand tot de arbeidsmarkt’ in dienst te nemen. Dat gaat dus nooit werken.

Vrijheid voor werknemers en werkgevers – met een begeleidende rol van de overheid – is altijd veel beter dan de betutteling en dwang die GroenLinks voorstelt. Dat is niet alleen liberaler en beter voor de economie, het is ook veel socialer.


vrijdag 6 juli 2012

Niet aanpakken, maar doorschuiven

Vanochtend heeft de VVD haar concept-verkiezingsprogramma gepresenteerd met de titel ‘niet doorschuiven, maar aanpakken’. Aardig om te kijken wat daarmee bedoeld wordt.

Het programma is gebaseerd op een rigoureuze reductie van het begrotingstekort. De economische analyse daarvan ontbreekt en dat is misschien maar goed ook want dan zou blijken dat dit beleid helemaal niet zo verstandig is als beweerd wordt. Dat het programma op een verkeerde veronderstelling berust, blijkt al uit de eerste zin van de samenvatting: ‘Nederland leeft boven zijn stand’. Dat is klinkklare nonsens. Nederland leeft helemaal niet boven zijn stand: wij hebben een veel te hoog overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. Als land verdienen wij dus aanzienlijk meer dan wij uitgeven. Verkeerde diagnose en verkeerd beleid, dus.

Wel geeft de Nederlandse overheid meer uit dan zij ontvangt en op den duur moeten uitgaven en ontvangsten in evenwicht zijn. Dat moet je echter niet forceren zo lang de economie niet aantrekt. De VVD wil heel stoer 24 miljard ombuigen en daarbij ook nog de lasten verlichten. Onder meer wordt 9 miljard omgebogen in de sociale zekerheid en 7 miljard in de zorg. Gelet op de slechte economische vooruitzichten, zal een ombuiging in de sociale zekerheid ten koste gaan van de mensen zonder werk en van de koopkracht. Zoiets kun je pas doen als de economie weer aantrekt en er perspectief is dat mensen inderdaad weer aan het werk kunnen. De bezuinigingen in de zorg wil de VVD realiseren door meer zorg door de gemeente te laten leveren. De gemeente zal vervolgens om de begroting rond te krijgen weer de lasten moeten verhogen. Per saldo is er dus geen sprake van een ombuiging, maar van het doorschuiven van taken. De titel van het concept-verkiezingsprogramma zou dus eigenlijk moeten luiden: ‘niet aanpakken, maar doorschuiven’.

 Zou het iets voor de G500 zijn om via een amendement te zorgen dat de vlag de lading weer dekt?




De VVD, de economie en ondernemers

Bij de laatste verkiezingen heeft de VVD zich geprofileerd als de partij die waarbij de economische belangen van Nederland in goede handen zouden zijn. Tijd voor een evaluatie: wat is daar nu helemaal van terecht gekomen?

Duidelijk is dat de Nederlandse economie er nu slechter voorstaat dan in 2010. De groei is dit jaar negatief en de werkloosheid loopt sterk op. Voor een deel heeft dit te maken met de internationale conjunctuur en kan het beleid in Nederland daar weinig aan veranderen. De Nederlandse economie presteert echter slechter dan die van de omringende landen. Hoe komt dat?

Eén van de redenen is dat de regering voortdurend een somber beeld schetst van de economie en hardnekkig tracht de begroting op korte termijn sluitend te krijgen. In een recessie moet je juist zorgen dat de bestedingen zo veel mogelijk op peil blijven en mag het begrotingstekort oplopen. Dat is goed voor de economie. Het kabinet doet nu het omgekeerde en je ziet dat zowel de overheidsuitgaven als de consumentenbestedingen dalen. Economisch onverstandig beleid.

De VVD is met haar beleid bezig de crisis van de jaren ’80 te bestrijden. Toen waren inderdaad de bestedingen te hoog en had Nederland een tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans. Nu is dat niet het geval: Nederland heeft een fors overschot op de lopende rekening, hetgeen duidt op een nationaal spaaroverschot. Kortom: het verkeerde medicijn bij een foute diagnose.

Is het beleid van het kabinet Rutte dan goed voor ondernemers? Ook dat valt tegen. In de eerste plaats vanwege het algemeen economisch beleid. Alle sectoren die voor de Nederlandse markt produceren zullen last hebben van de achterblijvende bestedingen. Dat merken bijvoorbeeld de detailhandel en de horeca nu al. Maar ook andere ondernemers hebben last van de economische teruggang.

Ook in ander opzicht heeft het kabinet Rutte een beleid gevoerd dat niet goed is voor ondernemers. Zo zullen werkgevers bij ontslag van werknemers zes maanden werkloosheidsuitkering voor hun rekening moeten nemen. Zie het interview met minster Kamp op 5 juli in de Volkskrant. Daarnaast moet nog een bedrag worden betaald voor scholing of outplacement. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een totaal verkeerde filosofie, namelijk dat het ontslaan van werknemers als een soort vervuiling wordt gezien die afgestraft moet worden. Zij moeten wel bedacht zijn door mensen die geen flauw idee van de praktijk hebben. Voor kleinere ondernemers is de maatregel helemaal funest: als je drie werknemers in dienst hebt en je moet er één ontslaan door teruglopende omzet (zie boven), dan kunnen dit  de onderneming helemaal om zeep helpen.

In het vandaag verschenen concept-verkiezingsprogramma neemt de VVD afstand van de door minister Kamp verdedigde maatregel om de werkgever de eerste 6 maanden van een WW-uitkering te laten betalen. Terecht! Maar hoe geloofwaardig is een partij die eerst een dergelijke maatregel neemt en verdedigt en vervolgens er onder druk van verkiezingen afstand van neemt? Het gaat om de denkwijze en de instelling waarmee je beleid voert. Een partij die bereid is om als grootste regeringspartij maatregelen te nemen die evident slecht zijn voor ondernemers, zal dat in een volgende periode weer doen.

Kortom: de VVD een ondernemerspartij? Misschien goed voor de multinationals die veel exporteren, maar niet voor de meeste ondernemingen in Nederland. Bedacht zij dat meer dan 80% van de bedrijven in Nederland minder dan 5 werknemers heeft.

LibDem staat voor een beleid dat veel beter is voor het ondernemersklimaat in Nederland. Ten eerste wil LibDem het begrotingstekort niet zo geforceerd verlagen. Eerst moeten wij zorgen het vertrouwen hersteld wordt en de groei weer aantrekt. Ten tweede vindt LibDem dat de kosten van de sociale zekerheid en van de begeleiding van werk naar werk voor rekening van de overheid moeten komen. Uiteindelijk betalen wij die kosten allemaal, maar je legt dan niet de rekening eenzijdig bij enkele ondernemers neer. Per slot van rekening heeft de hele maatschappij baat bij een flexibele economie en een flexibele arbeidsmarkt met een goed sociaal vangnet.