maandag 19 mei 2014

Beter voor milieu dan GroenLinks, beter voor de economie dan de VVD


In het verkiezingsspotje van LibDem dat de afgelopen weken op TV te zien was, wordt gezegd dat het beleid dat LibDem voorstelt beter voor het milieu is dan GroenLinks en beter voor de economie dan de VVD. Veel kiezers vragen mij hoe dat kan. Daarom is het goed dat nader toe te lichten.

Luchtvervuiling houdt niet op aan de grens, daarom is het alleen zinnig om het milieubeleid – dan wel het energiebeleid – en het beperken van de uitstoot van broeikasgassen in Europees verband te voeren. Het huidig milieubeleid is niet effectief. Het bestaat uit regelgeving – zoals normen voor producten en het verbod op gloeilampen- subsidies en een ingewikkeld systeem van handel in emissierechten. Het laatste houdt in dat bedrijven – niet alle, maar in sommige bedrijfstakken – emissierechten voor CO2 toegekend krijgen. Als zij overhouden, mogen zij de resterende rechten verkopen; als zij tekort komen, moeten zij rechten bijkopen. De prijs van de emissierechten schommelt daardoor nogal en is de laatste jaren, mede als gevolg van de recessie, laag geweest, te laag om de uitstoot van broeikasgassen echt te beperken.

LibDem vindt dat de enige manier waarop je serieus de uitstoot van broeikasgassen kunt beperken, een heffing moet zijn op alle uitstoot van CO2 uit fossiele brandstoffen. Dat moet een heffing zijn die geleidelijk op een voorspelbare wijze oploopt, zodat je weet wat over tien jaar de prijs van de CO2 zal zijn. Die moet zo hoog zijn dat de uitstoot van CO2  uit fossiele brandstoffen fors beperkt wordt. Bedrijven en consumenten zullen daar op anticiperen, zodat zij zuinige producten maken en – ook belangrijk – er op een zuinige manier mee om zullen gaan. Het gebruik van duurzame energie wordt dan relatief goedkoper, zodat deze aantrekkelijker worden. Subsidies daarvoor zijn niet nodig. Windmolens draaien dan niet meer op subsidie (vaak weggegooid geld), maar alleen op wind. Voorwaarde is wel dat de opbrengsten die de overheid binnen krijgt in de vorm van lastenverlichting aan burgers en bedrijven teruggegeven wordt, zodat de koopkracht niet aangetast wordt. Europa kan zo een effectief milieubeleid voeren, ook al zouden de landen buiten Europa niet zo ver willen gaan.

Door een dergelijk beleid zullen de Europese bedrijven – en met name de energie-intensieve – ten opzichte van de niet-Europese landen duurder worden, waardoor hun concurrentiepositie verslechtert. Dat gebeurt nu ook als gevolg van de regelgeving en de handel in emissierechten, maar dat is minder zichtbaar. LibDem stelt echter voor, teneinde het concurrentienadeel op te heffen, een correctiemechanisme aan de Europese buitengrens in te voeren. Hierbij wordt op goederen die van buiten de EU komen een heffing opgelegd die gelijk is aan de heffing die dezelfde goederen in de EU zouden hebben plus de heffing op de uitstoot tijdens het transport. Voor goederen die geëxporteerd worden, wordt de CO2-heffing teruggegeven. Het Europees bedrijfsleven heeft hierdoor geen hinder van het in Europa gevoerde (strengere) milieubeleid. Volgens kenners is een dergelijke Border Tax Adjustment in overeenstemming met de regels van de WTO. (Zie ook Cambridge Working Papers in Economics CWPE 0409.)
Een dergelijk correctiemechanisme kun je niet invoeren met het huidige beleid, gebaseerd op regelgeving en handel in emissierechten. Dat is veel te onduidelijk.

Het beleid dat LibDem voorstelt is beter dan het huidige beleid. Op alle uitstoot van CO2 uit fossiele brandstof wordt immers een heffing gelegd. Er is geen willekeur meer. Ook is het niet nodig om allerlei willekeurige productnormen op te leggen. Het is immers in ieders belang – en dat van onze aarde - om te zorgen dat de uitstoot van CO2 beperkt wordt. Dat betekent dat niet alleen de producten energiezuinig zullen zijn, maar dat er daadwerkelijk een continue, generieke en voorspelbare prikkel zal zijn om de producten ook energiezuinig te gebruiken. Subsidies en belastingfaciliteiten zijn dan overbodig. Dat voorkomt ook het misbruik ervan. Een voorbeeld daarvan is het onlangs bekend geworden oneigenlijk gebruik van belastingfaciliteiten voor hybride auto’s. Er zal niet meer gelobbyd hoeven te worden om normen voor producten op een bepaald niveau vast te stellen.

Dit beleid is veel effectiever dan het huidige beleid voor de reductie van broeikasgassen. GroenLinks wil in principe het huidige beleid voortzetten, maar dan een beetje meer. Als je een streng milieubeleid wilt voeren, kan het echter beter op een generieke, marktconforme wijze, zoals LibDem voorstelt. Dat beïnvloedt immers niet alleen de producten, maar ook het gebruik ervan.

Het beleid van LibDem is ook beter voor de economie dan het huidige beleid – in hoofdlijnen gesteund door de VVD- en wel om twee redenen. Ten eerste is het generiek en marktconform, zodat je geen subsidies en betuttelende regelgeving meer nodig hebt. Ten tweede is wordt er rekening gehouden met de concurrentiepositie op de wereldmarkt. Opvallend is dat geen van de andere partijen - met uitzondering  van (deels) de SP - zich zorgen maken over de gevolgen van het Europees milieubeleid voor de concurrentiepositie van het Europees bedrijfsleven. Terwijl dat wel belangrijk is!

Het milieubeleid dat LibDem voorstelt is, kortom, beter voor het milieu dan GroenLinks en beter voor de economie dan de VVD.


donderdag 15 mei 2014

Leuke ideetjes van D66, maar Europa schaft straks ons euthanasiebeleid af



Veel kiezers hebben met name bezwaren tegen het gebrek aan democratie in Europa, dat  als een ongecontroleerde, bureaucratische macht wordt ervaren. De meeste partijen in Den Haag nemen deze bezwaren niet serieus. En laten de kiezers dus in de kou staan. GroenLinks en D66 doen wel een poging om de democratie te versterken. Zij doen dat echter zonder het hele bouwwerk goed te doordenken, zodat het resultaat niet erg evenwichtig is. D66 bijvoorbeeld streeft ‘naar een politieke unie in de vorm van een Europese federatie’. Het staat  echt zo in hun verkiezingsprogramma (p. 35)!

Maar wat betekent dat? In een federale staat, zoals de VS, kan de grondwet gewijzigd worden tegen de wil van een minderheid van staten in. Als de Europese Unie een federatie zou worden, zou  het verdrag tegen de wil van Nederland gewijzigd kunnen worden. Indien een meerderheid van de lidstaten dat  wil, kan de Europese Unie zich bevoegd verklaren om bijvoorbeeld het euthanasiebeleid in Nederland af te schaffen. Willen wij dat wel?

In de visie van LibDem is de Europese Unie een supranationaal verband van soevereine lidstaten. De Unie heeft dus enerzijds supranationale kenmerken: zij kan - op de gebieden waar zij bevoegd is - tegen de wil van sommige lidstaten in dwingend regels opleggen. Anderzijds bestaat de Unie uit soevereine lidstaten. Dat betekent dat er nooit meer soevereiniteit aan de Unie kan worden overgedragen dan waar àlle lidstaten het over eens zijn. Eén enkele lidstaat kan de overdracht van soevereiniteit tegenhouden. LibDem vindt dat dat zo moet blijven.

Het supranationale element vraagt wel om een sterke democratische controle op de besluitvorming. Die is er nu niet. LibDem heeft uitgewerkte voorstellen om Europa wel democratisch te maken. Dat vraagt om een evenwichtige benadering, waar rekening wordt gehouden met een verscheidenheid aan culturen en politieke opvattingen die er in Europa nu eenmaal zijn.

GroenLinks en D66 doen enkele pogingen om de democratie te versterken. Zo hebben zij beide het voorstel van LibDem uit 2006 om het Europees Parlement via Europese kieslijsten te kiezen, in hun huidige programma’s gezet. Zij doen dat echter zonder het hele bouwwerk goed te doordenken, zodat het resultaat niet erg evenwichtig is. D66 wil bijvoorbeeld ook de voorzitter van de Commissie rechtstreeks door de bevolking laten kiezen. Dat lijkt een leuk ideetje, maar leidt in de Europese context tot een gedrocht. Ook daar is niet goed over nagedacht.

Het idee van D66 om naar een Europese federatie te streven is typisch voor D66. Leuke ideetjes, slecht doordacht. Ondertussen staat het wel in hun verkiezingsprogramma, waarmee straks beleid wordt  gevoerd. Laat de kiezer die overweegt D66 te stemmen, dus goed beseffen waar hij voor kiest!


donderdag 20 maart 2014

De verliezer is de kiezer



De kiezer heeft gesproken en de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen staat vast. In de eerste plaats wil ik de winnaars van de verkiezingen feliciteren. Dat zijn in de eerste plaats de lokale partijen die bij elkaar 29,7% van de stemmen haalden, een winst van 4,9%. En dat zijn verder D66 en de SP die een winst van respectievelijk 3,8% en 2,7% behaalden.
Het opkomstpercentage viel mee en was met 53,8% slechts 0,1%-punt lager dan in 2010; het was in ieder geval hoger dan verwacht.

Wat betekent dit resultaat? De winst van de lokale partijen kan voor een belangrijk deel verklaard worden uit afkeer van de landelijke partijen. Uit onderzoek blijkt ook dat de redenen om niet te stemmen voor het grootste deel (33%) te maken hebben met wantrouwen in de politiek. Zij stemmen dus met de voeten.

De winst van veel partijen kan eveneens door afkeer van andere partijen worden verklaard. Wie in 2012 op de VVD of de PvdA stemde heeft veel redenen om zich bedrogen te voelen en stemt nu dus maar D66 of SP. Veel kiezers weten tot het laatste moment niet op wie te stemmen en de keus in het stemhokje wordt vaak meer bepaald door het afstrepen van de partijen op wie je niet wilt stemmen dan voor een positieve keus voor een beleid waar je achter staat.

Dat is niet verwonderlijk: het gevoerde beleid is vaak warrig en inconsistent en hangt van de kretologie aan elkaar. Een echt debat over belangrijke onderwerpen wordt niet gevoerd. Neem bijvoorbeeld het argument dat decentralisatie van de langdurige zorg of de Jeugdzorg tot meer ‘maatwerk’ en ‘oplossingen dicht bij huis’ zullen leiden. Wat een onzin! Alsof uitvoering door het Rijk niet kan zorgen voor maatwerk en oplossingen dicht bij huis. We hebben nu toch ook een nationale politie gekregen? De hele decentralisatie van Rijkstaken is inconsistent en slecht doordacht; veel kiezers voelen dat. Zij hebben zich daar alleen niet duidelijk over kunnen uitspreken.

Het gebrek aan discussie over belangrijke onderwerpen maakt dat de kiezers zich van de politiek afkeren. Ook bij de volgende verkiezingen zal dat weer duidelijk worden. Als grote verliezers van deze gemeenteraadsverkiezingen worden de PvdA (-4,9%) en de VVD (-3,6%) gezien. Maar eigenlijk is de grootste verliezer de kiezer.



dinsdag 18 maart 2014

Stem lokaal!




Het zijn merkwaardige gemeenteraadsverkiezingen. Weliswaar gaat het om de gemeentelijke democratie, maar de landelijke politici voeren campagnes en houden ook onderlinge debatten. Daarbij komt van alles aan de orde, maar niet het onderwerp waar de gemeentes het meeste last van hebben: het overhevelen van allerlei Rijkstaken naar de gemeentes. Het gaat onder andere om de Jeugdzorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Participatiewet. Dit gaat gepaard met grote uitvoeringsrisico’s bij gemeenten.

Tegen deze herverdeling van taken valt veel in te brengen: ten eerste is het budget dat de gemeentes krijgen ontoereikend en is de overheveling van taken niet meer dan een verkapte bezuiniging. Het is zeer waarschijnlijk dat deze herverdeling van taken inefficiënt en dus duurder zal blijken te zijn. Gemeentes moeten immers ieder afzonderlijk deskundigheid op al deze gebieden verwerven dan wel inhuren. Bovendien ontstaat er rechtsongelijkheid tussen de inwoners van de ene gemeente en die van de andere. Veel kiezers zijn dan ook tegen de decentralisaties, maar de landelijke politieke partijen negeren dat.

Nu is de herverdeling van deze taken voor de gemeente een gegeven: de landelijke politiek heeft er toe besloten. Maar gelet op de weerstand bij veel kiezers tegen deze herverdeling, zou je verwachten dat dit thema een grote rol speelt in het landelijk debat. Niets is minder waar. Er is – met uitzondering van LibDem – geen enkele partij die zich uitdrukkelijk tegen deze herverdeling van taken heeft uitgesproken.

Aan de meeste partijen in de Tweede Kamer is onlangs uitdrukkelijk de vraag gesteld of – indien zou blijken dat de decentralisaties inderdaad tot meer inefficiënties en dus hogere kosten leidt – zij bereid zouden zijn deze terug te draaien. Dat is een logische vraag, waarop een verstandige politieke partij zeker een antwoord zou moeten geven. Alleen de SGP heeft de vraag beantwoord, met als strekking dat zij er nog niet van overtuigd zijn dat terugdraaien uiteindelijk een optie zal zijn, omdat dit volgens hen ook geld zal kosten. Zij zetten dan liever in op het verbeteren van de dan gesignaleerde knelpunten. Dat is tenminste een duidelijk antwoord. De andere partijen denken kennelijk niet over deze vraag na.

De decentralisatie van Rijkstaken is het belangrijkste onderwerp waar de gemeentes de komende jaren mee te maken. Nu dit in de verkiezingscampagnes nauwelijks een rol speelt, zullen veel kiezers uit onvrede wegblijven. Maar de kiezer kan ook een signaal afgeven dat hij vindt dat de landelijke politieke partijen hier verkeerde keuzes maken. Dat kan door in ieder geval niet op een landelijke partij, maar op een lokale partij te stemmen!



woensdag 4 december 2013

Verborgen collectieve lasten

Voor de economie – en dus voor de werkgelegenheid – is het van belang de collectieve lasten zo laag mogelijk te houden. Hogere collectieve lasten maken arbeid immers duurder dan wel beperken de vrije bestedingen van consumenten. Lage collectieve lasten verhogen daardoor welvaart en welzijn, mits dit uiteraard niet ten koste gaan van de taken die de overheid moet uitvoeren.

Hoewel dit kabinet al veel collectieve lasten heeft verhoogd (o.a. BTW naar 21%), is het beleid er op gericht om verdere lastenverhoging te beperken. Dus moet de zelf opgelegde begrotingsdoelstelling van 3% gerealiseerd worden door verlagen van de uitgaven. Verdere stijging van de collectieve lasten – volgens de gangbare definitie – wordt daarmee voorkomen.

Probleem is echter dat daarbij niet naar de werking van de economie gekeken wordt, maar naar de gangbare definities en wat daar onder valt. Het gebruikelijke Haagse cijferfetisjisme dus. Als je dat wel doet, en naar de economische effecten van het kabinetsbeleid kijkt, zie je dat het kabinet de private sector allerlei verplichtingen en lasten oplegt, die je eigenlijk tot de collectieve lasten zou moeten rekenen. Verborgen collectieve lasten dus. Ik noem twee voorbeelden.

Vorige week heeft het kabinet de Participatiewet naar de Kamer gestuurd. Met veel mooie woorden wordt daarin de verantwoordelijkheid die het Rijk heeft voor het arbeidsmarktbeleid voor mensen met een handicap doorgeschoven naar sociale partners en gemeenten. Onderdeel daarvan is dat bedrijven arbeidsplaatsen creëren voor mensen met een beperking. Dit is een uitvloeisel van het in april gesloten Sociaal Akkoord, verder uitgewerkt in het Herfstakkoord (met D66, CU en SGP). Het gaat daarbij om in totaal 100.000 arbeidsplaatsen voor mensen met een beperking, die anders als gevolg van het kabinetsbeleid op straat komen te staan. Met andere woorden: de werkgevers moeten dit maar opknappen en als dat niet lukt, zal de Quotumwet in werking treden, die dit als een verplichting oplegt.

Het is natuurlijk een goede zaak als mensen met een beperking werk kunnen vinden bij reguliere werkgevers. Maar dat moet dan voor beide partijen aantrekkelijk worden gemaakt. Als deze werknemers minder productief mochten blijken te zijn – en dus minder kunnen verdienen - dient de overheid daar met een loonkostensuppletie een aanvulling op het inkomen te geven. LibDem pleit daar al voor sinds 2006. De verplichting die de overheid nu wil opleggen komt er in feite op neer dat werkgevers met extra kosten worden opgezadeld, die eigenlijk collectief gefinancierd zouden moeten worden. Verborgen collectieve lasten, dus.

Een ander voorbeeld is de mantelzorg die – onder het motto van ‘Participatiesamenleving’ – wordt opgelegd aan mensen die in hun omgeving (familie, buren) iemand hebben die hulp behoeft. Ook dat is economisch inefficiënt, zie daarvoor mijn blog van 10 november jl. Dit is een andere vorm van verborgen collectieve lasten.

Dit zijn twee voorbeelden van verborgen collectieve lasten; er zijn er meer. Verborgen collectieve lasten zijn economisch inefficiënter dan echte collectieve lasten. Zij zijn alleen verborgen en tellen dus niet mee voor het op cijfers gebaseerde beleid. De  gevolgen zien wij pas over een aantal jaren, mogelijk pas na de volgende verkiezingen.

Je kunt beter iets meer belasting betalen en zorgen dat de economie efficiënt is en iedereen zijn bijdrage daaraan kan leveren, dan opgezadeld zijn met verborgen collectieve lasten, die ongetwijfeld de nodige willekeur, onzekerheid en bureaucratie tot gevolg zullen hebben.

Dit beleid is niet goed voor de economie, niet goed voor de werkgelegenheid en beperkt de vrijheid. LibDem heeft een veel beter alternatief.



zondag 10 november 2013

Participatiesamenleving is niet liberaal

Deze regering heeft het begrip participatiesamenleving omarmd als ideologische dekmantel voor bezuinigingen. Een participatiesamenleving is een samenleving waarin iedereen die dat kan verantwoordelijkheid neemt voor zijn of haar eigen leven en omgeving, zonder hulp van de (landelijke) overheid. Zo gedefinieerd lijkt er niets op tegen te zijn: prima als mensen eigen verantwoordelijkheid nemen.

Probleem is echter dat het begrip gehanteerd wordt om de “terugtredende overheid” - lees: bezuinigingen - te rechtvaardigen. En dan gaat het met name om taken op het gebied van sociale zekerheid en zorg die om allerlei redenen beter door de overheid vervuld kunnen worden. Het kabinet vindt dat mensen meer een beroep doen op mantelzorg, op elkaar, moeten doen en pas aankloppen bij de overheid als dat geen resultaat oplevert. En daar ligt het probleem. Deze participatiemaatschappij beknot de vrijheid, leidt tot bedilzucht, bevordert ongelijkheid en willekeur en is economisch inefficiënt. Genoeg redenen om er tegen te zijn.

De verplichting een beroep op anderen te doen beknot de vrijheid van zowel degene die de hulp aanbiedt als van die die er om vraagt. Het is prima om af en toe vrijwillig boodschappen voor de buurman te doen. Als het uitkomt. Maar soms komt het niet uit en moeten de boodschappen wel gedaan worden. En dan is de verplichte mantelzorg voor beide partijen belastend. Vandaar dat een systeem waarbij de overheid zorgt dat mensen die hulp behoeven die ook krijgen voor alle partijen de meeste vrijheid biedt. Bedacht zij dat het niet alleen gaat om het doen van boodschappen, maar ook andere vormen van verzorging, waaronder persoonlijke verzorging. Ook daar kan het zeer belastend zijn steeds een beroep op familie of buren te moeten doen.

In de plannen van het kabinet komt in de toekomst een (gemeente)ambtenaar in een gesprek ‘aan de keukentafel’ beoordelen of iemand voor hulp van de overheid in aanmerking komt. Het gaat daarbij niet alleen om de vraag of iemand wel zelf boodschappen kan doen, maar ook of hij geen familie of buren heeft, die hem daarmee kunnen helpen. Heeft hij wel voldoende een beroep op potentiële mantelzorgers gedaan? Kan zijn dochter hem niet komen helpen? of de buurman? Dit zal tot een hoge mate van bedilzucht leiden. Er zal op zijn minst morele druk op de betrokkenen worden uitgeoefend.

En dan de ongelijkheid. Een kenmerk van de rechtstaat is dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. In de “participatiemaatschappij” zoals het kabinet die voor ogen heeft, kan dat niet meer. De uitvoering van de resterende zorgtaak van de overheid wordt immers aan de gemeenten opgedragen en iedere gemeente zal haar eigen beleid voeren. En ieder geval is natuurlijk uniek, zodat er binnen één gemeente weinig vergelijkbare gevallen zullen zijn. Ongelijkheid en willekeur zullen het gevolg zijn.

De hele operatie is in gang gezet omdat het uiteindelijk economisch efficiënter zou zijn: de overheid hoeft geen belasting te heffen als burgers de werkzaamheden zelf buiten de overheid om verrichten. Maar is deze oplossing nu economisch efficiënter? Vroeger bleven mensen vaak in dezelfde plaats wonen, vaak vlak bij hun ouders. In dat geval kon je makkelijk je ouders verzorgen als die hulpbehoevend waren. Nu is dat anders. Mensen wonen doorgaans verder van hun familie vandaan. Dat wordt ook gestimuleerd en het past bij een economie waarin men niet meer zijn hele leven bij één werkgever werkt. Maar kan van iemand die in Amersfoort woont verwacht worden dat hij dagelijks naar Utrecht reist om zijn vader te verzorgen? Dat kost zowel tijd als geld. Het is economisch veel efficiënter om dan maar iets meer belasting te betalen, waardoor de overheid kan zorgen dat iemand in Utrecht boodschappen doet, liefst voor een aantal mensen tegelijk. Uiteindelijk zal de “participatiemaatschappij” niet alleen ten koste gaan van het welzijn, maar ook van de welvaart: de Nederlandse economie wordt minder efficiënt. Is dat wat het kabinet beoogt?

De “participatiemaatschappij” staat dan ook op gespannen voet met een andere doelstelling van het kabinetsbeleid, namelijk om de arbeidsmarkt te flexibiliseren. Je kunt niet aan de ene kant verwachten dat mensen verhuizen om elders werk te vinden en aan de andere kant dat zij mantelzorg bieden aan familieleden. Deze inconsistentie is tekenend voor de wijze waarop de huidige Haagse politiek werkt: geen doordachte visie op hoe de samenleving en de economie in de 21e het best kan functioneren.

De “participatiemaatschappij” zoals het kabinet die voor ogen heeft, leidt dus tot minder vrijheid, tot betutteling, tot ongelijkheid en willekeur en is economisch inefficiënt. Zij staat haaks op de idealen van het liberalisme. Zij staat zeker haaks op de visie van LibDem: een maatschappij waarin het individu zo veel mogelijk vrijheid geniet.