zaterdag 9 december 2023

Een rode lijn voor de rechtsstaat

Nederland is een democratische rechtsstaat. De begrippen democratie en rechtsstaat zijn nauw verweven. Een democratie kan niet goed functioneren zonder dat er sprake is van een rechtsstaat. En omgekeerd is de democratie een wezenlijk onderdeel van wat wij als een rechtsstaat beschouwen. Maar er zit ook een zekere spanning tussen deze begrippen. Zo kun je met een democratisch tot stand gekomen besluit de rechtsstaat terzijde schuiven. Recente voorbeelden zijn Polen onder de PiS regering en Hongarije onder Orbán. En ook Hitler is in 1933 op democratische wijze aan de macht gekomen.

Wat te doen als er een partij verkozen wordt die het niet nauw neemt met de rechtsstaat en belangrijke elementen van de rechtsstaat wil aantasten? Een partijverbod gaat doorgaans te ver: dit op zich staat al op gespannen voet met de democratie en met de rechtsstaat. Dat moet je bewaren voor hooguit zeer uitzonderlijke gevallen. Belangrijker is dat de partijen die het wel van belang achten de rechtsstaat in stand te houden, deze daadwerkelijk verdedigen. Zij zouden niet moeten samenwerken met partijen die de rechtsstaat willen aantasten. Doen zij dat wel, dan dreigen zij zich op een hellend vlak te begeven. Je werkt mee aan een partij die de rechtsstaat wil ondermijnen en voor je het weet wordt die partij als regeringspartij bij de volgende verkiezingen nog sterker en kan daardoor meer eisen stellen.

De PVV heeft in zijn verkiezingsprogramma een aantal voorstellen die zonder meer de Nederlandse rechtsstaat aantasten. Zo wil de PVV islamitische scholen, korans en moskeeën verbieden. Deze voorstellen gaan lijnrecht in tegen een aantal grondrechten, die vast liggen in de Nederlandse Grondwet en in een aantal internationale verdragen.

Nu heeft Wilders gezegd dat hij deze voorstellen ‘in de ijskast’ wil zetten. Maar in de ijskast zetten is niet genoeg. Deze voorstellen die de rechtsstaat ondermijnen blijven, aldus Wilders, deel van het DNA van de partij uitmaken. Je kunt ze dus nog altijd uit de ijskast halen wanneer dat later gelegen komt. Democratische partijen die zich sterk maken voor de rechtsstaat zouden daar geen genoegen mee moeten nemen. Voorwaarde voor het in zee gaan met de PVV als coalitiepartner zou moeten zijn dat Wilders uitdrukkelijk – en blijvend – afstand neemt van de voorstellen die de grondrechten aantasten. Iedere politieke partij die dat niet als eis stelt overschrijdt daarmee een rode lijn die de rechtsstaat moet beschermen.

Omgekeerd zou de PVV zich naar de goede kant van deze rode lijn kunnen bewegen door expliciet en blijvend afstand te nemen van voorstellen die de rechtsstaat ondermijnen. Op de avond van 22 november zei Wilders dat partijen nu over hun eigen schaduw heen moesten springen om de vorming van een coalitieregering mogelijk te maken. Welnu, het is aan hem om daarin het goede voorbeeld te geven en zorg te dragen dat de PVV aan de goede kant van de rode lijn komt. Doet hij dat niet, dan is er maar één persoon in Nederland debet aan als de PVV buiten de regering blijft.


Sammy van Tuyll

www.libdem.nl

 

 

donderdag 5 mei 2022

Nederland moet solidair zijn met Europa én met Oekraïne

Sinds het begin van de oorlog in Oekraïne hebben de landen van de Europese Unie € 48 miljard voor de aankoop van fossiele brandstoffen naar Rusland overgemaakt, ondanks de boycot van Russische producten. Dat is gemiddeld € 700 miljoen per dag. Dit is voor Poetin een belangrijke financieringsbron om de oorlog voort te zetten. Van deze geldstroom heeft 56% betrekking op aardgas, 42% op olie en 2% op kolen.

Het stoppen met deze geldstroom, en dus stoppen met de invoer van aardgas uit Rusland zou een belangrijke bijdrage leveren aan het verkorten van de oorlog. Nederland heeft onlangs het dappere besluit genomen om de afhankelijkheid van Russisch aardgas te verminderen. Maar dat zet weinig zoden aan de dijk. Nederland importeert op jaarbasis slechts 6 miljard kuub Russisch aardgas, tegen 168 mrd kuub voor de hele Europese Unie. Het zou dus veel meer effect hebben als andere landen ook zouden afzien van de invoer van Russisch aardgas, met name de grotere landen als Duitsland.

 Maar kan dat zo maar? Bondskanselier Olaf Scholz heeft er op gewezen dat een ban op Russisch aardgas de Europese economie in een recessie zou storten, zonder dat de oorlogvoering van Poetin er echt last van zou hebben. Vanwege de economische gevolgen is er daarom in Duitsland veel weerstand tegen het afzien van aardgas uit Rusland. Begrijpelijk. Het is daarom zaak om te zoeken naar alternatieve leveranciers. En daar zou Nederland een rol kunnen spelen. In Groningen zit nog iets meer dan 500 miljard kuub aardgas onder de grond. In het topjaar 2013 produceerde Nederland zo’n 82 miljard kuub. Dat is nu teruggevallen tot 21 miljard kuub. Maar als de productie weer zou stijgen tot het niveau van 2013, zou daarmee jaarlijks 60 miljard kuub aardgas op de Europese markt komen. Die hoeven wij dan niet uit Rusland te importeren. Daarmee zou de Nederlandse productie ruim een derde van de Europese invoer uit Rusland compenseren, een belangrijke stap om Europa helemaal van het Russisch aardgas af te halen. Ondertussen kan gezocht worden naar duurzamere oplossingen.

Maar hoe zit dat dan met de aardbevingen in Groningen? Dat was destijds een belangrijke reden om de productie in Groningen te verminderen. Op zich terecht: Groningen is tot nu toe schandalig behandeld en velen wachten nog steeds om maatregelen om hun huizen te herstellen en veilig te maken. Het is daarom rechtvaardig als de opbrengsten van de extra aardgas productie in eerste instantie naar Groningen gaan. Het gaat dan om zo’n € 100 mln per dag. Daarmee kan veel van de schade aan huizen en gebouwen hersteld worden.

En het klimaat dan? Minister Jetten zal zeggen dat dit ten koste van het klimaat gaat. Ten onrechte! Het is voor het klimaat beter als aardgas gestookt wordt in plaats van olie, steenkool en bruinkool, hetgeen bijvoorbeeld in Duitsland de brandstof is die gebruikt wordt als het aardgas weg zou vallen. Met een groter aanbod van Nederlands aardgas zullen bovendien de aardgasprijzen dalen. Dit heeft twee effecten. Ten eerste zal Poetin ook getroffen wordt in de resterende uitvoer van aardgas. Ten tweede leidt een lagere gasprijs tot een lagere inflatie en verkleint dat het koopkrachtverlies waar velen nu last van hebben. Het effect op de aardgasprijzen zal al merkbaar zijn vanaf de aankondiging om meer gas te produceren.

Nederland moet ruimer denken en solidair zijn met Europa en met de Oekraïne. En uiteindelijk ook met Groningen!

Sammy van Tuyll

www.libdem.nl

woensdag 9 februari 2022

Rutte IV, tegenovergestelde van Rutte II

Het kabinet Rutte IV is nu vier weken bezig. Enkele bewindslieden hebben al laten zien waar zij voor staan, van andere valt dit nog te bezien en sommige, zoals de minister van Justitie, zijn direct al door de mand gevallen. In sommige opzichten lijkt het kabinet Rutte IV het tegenovergestelde van Rutte II. Ik heb het dan niet over de langste formatie ooit (2021) tegenover een korte - en veel te snelle - formatie in 2012. Maar vooral over het voorgenomen beleid. Uit het coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitzien naar de toekomst’ blijkt dat dit kabinet van plan is een aantal fouten van Rutte II ongedaan te maken.

Dat geldt in de eerste plaats voor het begrotingsbeleid. Rutte II voerde drastische bezuinigingen door. De verzorgingsstaat werd daarbij grotendeels ontmanteld. Het kabinet was van mening dat dit goed zou zijn voor de economie, ondanks de waarschuwingen van veel economen dat je niet in een recessie op de rem moest trappen. LibDem was destijds de enige politieke partij die zich tegen dit desastreuze beleid uitsprak. De rest slikte het als zoete koek. Het kabinet Rutte IV doet precies het omgekeerde van Rutte II: er wordt nu gesmeten met geld. En dat terwijl de economie oververhit raakt, de arbeidsmarkt gespannen is en de inflatie aantrekt. In beide gevallen een procyclisch beleid; in beide gevallen even slecht voor de economie.

Met het diametraal andere begrotingsbeleid van Rutte IV worden een aantal maatregelen uit Rutte II teruggedraaid. Zo wordt de volstrekt onzinnige verhuurdersheffing van Rutte II binnenkort afgeschaft. De verhuurdersheffing is een belasting op sociale woningverhuur die sinds 2013 geheven werd. Als gevolg van de verhuurdersheffing moesten woningbouwcorporaties jaarlijks zo’n 1,7 mrd ophoesten. Daardoor hielden zij minder geld over om te investeren in nieuwbouw. Uit onderzoek blijkt dat zonder de verhuurdersheffing de corporaties tussen 2013 en 2023 zo’n 93.500 extra woningen hadden kunnen bouwen. De huidige wooncrisis is dus voor een groot deel veroorzaakt door het beleid van Rutte II. Terecht dat de verhuurdersheffing wordt afgeschaft, alleen merkwaardig dat deze maatregel pas in 2023 in gaat.

Een andere maatregel die teruggedraaid wordt is het leenstelsel voor studenten. Rutte II had – met steun van alle middenpartijen in de Kamer - de basisbeurs afgeschaft en het leenstelsel ingevoerd, waarbij studenten voor hun studiekosten bij het Rijk konden lenen en aldus een studieschuld opbouwden. Met name die studieschuld is voor velen bezwaarlijk omdat zij dan na afstuderen niet of minder kunnen lenen om een woning te kopen.

Helaas draait Rutte IV niet alle verkeerde maatregelen van Rutte II terug. Zo heeft Rutte II in 2015 allerlei taken van het Rijk naar de gemeenten overgeheveld onder het motto ‘meer doen met minder geld’. De maatregel ging met forse bezuinigingen gepaard. In de praktijk is gebleken dat het ‘minder doen met meer geld’ is, waardoor veel gemeenten nu met aanzienlijke tekorten op de begroting te kampen hebben en met name de Jeugdzorg geheel ontregeld is. Tevoren was duidelijk dat dit een verkeerd beleid was dat veel schade zou opleveren. LibDem heeft dat destijds herhaaldelijk betoogd en helaas zijn die voorspellingen uitgekomen. Daarover meer in een volgende blog.

 

Sammy van Tuyll

www.libdem.nl

maandag 20 september 2021

Eerst denken, dan doen

De Haagse politiek begint steeds meer geloofwaardigheid te verliezen. Het huidige gebrek aan vertrouwen in de overheid komt doordat er een hap snap beleid gevoerd wordt, dat vaak niet goed doordacht is. Met als gevolg: men gaat van het ene naar het andere extreem, het is hollen of stilstaan, het beleid richt zich vooral op symptoombestrijding en pakt de oorzaken niet aan, er is verspilling van talenten, geld en tijd. Ondoordacht beleid heeft ook tot gevolg dat de overheid bij de eerste kritiek vasthoudt aan het eigen gelijk, en pas als het maar al te duidelijk is dat er een verkeerd beleid is gevoerd, de koers wendt – maar dan weer doorschiet naar de andere kant.

Eén van de redenen dat het beleid te weinig doordacht is, is dat er een gebrek aan echt inhoudelijk debat is. Niet alleen in de Kamer, maar (vooral) ook in de media. Er zijn voorbeelden te over. Juist nu er een aantal belangrijke thema’s zijn waar nodig iets aan gedaan moet worden (klimaat, woningmarkt, arbeidsmarkt, onderwijs, Europa), is het des te harder nodig dat er een goed doordacht beleid wordt gevoerd. En dat kan alleen met een grondig debat, waarbij ook ideeën ‘out of the box’ worden meegenomen en op serieuze wijze bediscussieerd. En met name dat laatste is belangrijk. Kritiek op voorgenomen beleid moet serieus genomen worden, ook al komt die van een partij die met maar enkele zetels in de Kamer vertegenwoordigd is, of zelfs helemaal niet in de Kamer aanwezig is. Het gaat immers om de inhoud en om een zo goed mogelijk beleid te voeren en dan zijn argumenten belangrijker dan Kamerzetels. Althans…. zouden belangrijker moeten zijn, maar de werkelijkheid is helaas anders.

De toeslagenaffaire is een voorbeeld van dergelijk ondoordacht beleid. Omdat er eerst sprake was van regelgeving en uitvoering waarbij onvoldoende gecontroleerd werd, konden mensen in Bulgarije frauderen met uitkeringen en toeslagen. Daar schrok de politiek zo van, dat de regelgeving naar de andere kant doorschoot en eenieder die maar een enkele fout of vergissing in een aanvraag maakte, werd als fraudeur gezien en moet het hele ontvangen bedrag terugbetalen, hetgeen vaak onmogelijk was.

Een ander voorbeeld zijn de decentralisaties van Rijkstaken naar gemeentes, zoals de WMO, de langdurige zorg en de jeugdzorg. Dat is gedaan onder het motto ‘meer doen voor minder geld’. Omdat ook dit beleid slecht doordacht is, komt het uiteindelijk neer op ‘minder doen voor meer geld’. Met name in de jeugdzorg heeft dat desastreuze gevolgen, die nog tot hoge kosten in de toekomst zullen leiden. Hoewel deze gevolgen van tevoren te voorzien waren geweest, was er in de tijd dat de maatregelen door het kabinet Rutte-Asscher zijn doorgevoerd, sprake van een tunnelvisie. De maatregelen werden breed gesteund en kritiek werd niet serieus genomen, laat staan dat er een debat over gevoerd werd.

Er zijn voorbeelden te over: het begrotingsbeleid, de politie, de zorg, de woningmarkt, het klimaat. Allerlei voorbeelden waar een duidelijk verkeerd beleid is gevoerd, met hoge maatschappelijke en financiële kosten als gevolg. Het is van belang om in de toekomst goed na te denken – en te discussiëren – voordat beleid wordt gevoerd: eerst denken, dan doen. Eerst denken, dan doen is een belangrijke voorwaarde om het vertrouwen in de politiek te herstellen.

In komende blogs zullen enkele van de hier genoemde voorbeelden verder uitgewerkt worden.

Sammy van Tuyll

www.libdem.nl

zaterdag 11 september 2021

Een rationeel klimaatbeleid is urgent!

Het laatste rapport van het IPCC over het klimaat heeft ons weer wakker geschud. Het is urgent om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Essentieel is daarbij ook een beleid te voeren dat zowel effectief, rechtvaardig als economisch verantwoord is. En daar is op dit moment geen sprake van. Niet in Nederland en niet in Europa.

Het beleid dat tot nu toe in Nederland gevoerd wordt is ineffectief en legt de lasten eenzijdig bij de burgers en sommige bedrijven. Geen wonder dat veel mensen afhaken en uit frustratie op klimaatsceptische partijen stemmen. Wist u bijvoorbeeld dat de energiebelasting voor kleinverbruikers (gezinnen) 28,9 cent per m3 bedraagt en voor grootgebruikers 4,3 cent per m3? Dat is niet alleen onrechtvaardig, maar ook inefficiënt! Dat moet natuurlijk gelijkgetrokken worden. Maar niets daarover in het ‘Document op hoofdlijnen’ dat VVD en D66 geschreven hebben als aanzet voor een nieuw regeerakkoord.

Essentieel is het daarom een rationeel klimaatbeleid te voeren dat generiek werkt ten opzichte van alle sectoren. Dat wil zeggen een beleid dat consumenten en bedrijven gelijk behandelt, dat effectief is voor het klimaat en de concurrentiepositie van bedrijven niet onnodig ondermijnt. Een dergelijk rationeel beleid moet Europees gevoerd worden en bestaat uit drie elementen.

Ten eerste moet er een algemene heffing komen op alle CO2 uitstoot uit fossiele bron (kolen, olie gas) die door de overheden in Europa wordt opgelegd en voorspelbaar oploopt. Een dergelijke heffing kan eenvoudig geheven worden aan de Europese buitengrens wanneer de fossiele brandstoffen Europa binnen komen of bij de bron wanneer zij uit de grond worden gehaald. Er bestaat immers een vaste relatie tussen de fossiele bron en de uitstoot van CO2. Zo levert iedere molecuul aardgas bij verbranding één molecuul CO2 op.

Ten tweede moet de opbrengst van een dergelijke heffing teruggegeven worden aan de burgers in de vorm van lastenverlichting, zodat de koopkracht gelijk blijft. Dit kan door ofwel de BTW ofwel de inkomstenbelasting te verlagen, dan wel een combinatie van beide. Het effect zal zijn dat goederen en diensten die met veel CO2-uitstoot gepaard gaan - zoals vliegreizen - duurder worden en de niet-vervuilende producten goedkoper. Deze teruggaaf beschermt de minder draagkrachtigen beter dan het voorstel van de Europese Commissie ”Fit for 55” dat medio juli verscheen.

Ten derde moet het niet zo zijn dat bedrijven hun productie naar buiten Europa verplaatsen omdat daar geen heffing wordt opgelegd. Een dergelijk ‘koolstoflek’ kun je voorkomen door aan de Europese buitengrens een correctiemechanisme in te voeren, de Border Carbon Adjustment (BCA). Een dergelijk mechanisme houdt in dat er bij invoer van goederen van buiten Europa gekeken wordt hoeveel uitstoot van CO2 met de productie en het vervoer van die goederen gemoeid is geweest en vervolgens wordt die uitstoot met hetzelfde tarief belast als in de Europese Unie geldt. Als bijvoorbeeld 1000 ton staal uit Zuid-Korea wordt ingevoerd, wordt berekend welke CO2 uitstoot met de productie en het vervoer is gemoeid en dat wordt vermenigvuldigd met het in Europa geldend tarief. Omgekeerd kan bij uitvoer van staal naar landen buiten Europa, de heffing die in Europa betaald is, teruggegeven worden. Met een dergelijk BCA kan in Europa een streng klimaatbeleid gevoerd worden, zonder dat dit ten koste gaat van de concurrentiepositie van de Europese economie, integendeel.

De meeste economen zijn voorstander van het hier geschetste rationele klimaatbeleid, omdat het de enige manier is om een zowel effectief als rechtvaardig beleid te voeren, dat bovendien minder bureaucratisch is en minder gevoelig voor lobbyisten dan het huidige beleid. LibDem is al vanaf 2009 voorstander van een rationeel klimaatbeleid. Zie bijvoorbeeld hier.

De voorstellen van de Europese Commissie in “Fit for 55” gaan weliswaar voor een deel in de richting van een rationeel klimaatbeleid, maar niet helemaal en blijven daardoor ineffectief. Zo wordt het emissiehandelssysteem gehandhaafd, hetgeen bureaucratisch is en veel minder voorspelbaar is dan een algemene heffing. Ook worden de verschillende sectoren verschillend behandeld, hetgeen niet alleen tot willekeur leidt, maar ook ten koste van de effectiviteit gaat. Dit zal bovendien de nodige onderhandelingen vergen. De BCA wordt wel voor de invoer van sommige goederen ingesteld, maar niet voor de uitvoer, waardoor Europese bedrijven die voor de wereldmarkt produceren door een streng klimaatbeleid benadeeld worden. Het halfbakken beleid van de Europese Commissie is dus willekeurig, bureaucratisch en zal niet tot de gewenste reductie van de CO2 uitstoot leiden.

Alleen een rationeel klimaatbeleid zoals hierboven geschetst is effectief, rechtvaardig en economisch verantwoord; alleen daarmee kan op een serieuze wijze de opwarming van de aarde worden tegengegaan. Dit zou de kern van het klimaatbeleid in het regeerakkoord van het te vormen kabinet moeten zijn. Te vrezen valt dat dat niet zal gebeuren.  

Sammy van Tuyll

www.libdem.nl 

donderdag 2 september 2021

Inhoud: verkeerde volgorde

De volgorde: probleemanalyse - voorstellen - inhoudelijk debat - verkiezingen - kabinetsformatie wordt nu omgekeerd. Dat ondermijnt democratie en vertrouwen

Met de benoeming van Johan Remkes tot informateur is een nieuwe fase in de kabinetsformatie aangebroken. Velen klagen erover dat de formatie zo lang duurt. Dat is in dit geval mede het gevolg van de gebrekkige verkiezingscampagne en het ontbreken van inhoudelijk debat.

In de verkiezingscampagne die voorafging aan de Tweede Kamerverkiezingen van 17 maart was nog minder ruimte voor inhoudelijk debat dan bij voorgaande verkiezingen. Er was geen mogelijkheid voor bijeenkomsten waar gediscussieerd werd en in de televisiedebatten ging veel aandacht naar de maatregelen tegen de Covid-19 pandemie.

En dat, terwijl het noodzakelijk is op allerlei terreinen maatregelen te nemen. Het klimaat, de arbeidsmarkt, de zorg, het onderwijs, de woningmarkt vragen om beleid dat de inmiddels al te duidelijk geconstateerde problemen oplost. En een serieuze aanpak van deze problemen is urgent. Zoals Herman Tjeenk Willlink in zijn Eindverslag als informateur opmerkt: ‘Vertrouwen van burgers in de overheid is afhankelijk van de zekerheid die de overheid kan bieden bij het oplossen van maatschappelijke problemen; nu, in de komende maanden in de jaren die voor ons liggen. (…..) De formatie moet in dienst van dat vertrouwen staan.’

Die zekerheid waar Tjeenk Willink het over heeft, kun je alleen krijgen als een beleid wordt gevoerd dat stevig in elkaar zit en dat kan alleen als er goed over gediscussieerd is en alle consequenties goed zijn doordacht. Daar is nu geen sprake van, vandaar dat het beleid zwabbert van het ene extreem naar het andere. Er zijn vele voorbeelden, denk alleen maar aan het begrotingsbeleid: in de periode 2012-2017 moest er met alle macht (en in strijd met wat economisch verstandig is) bezuinigd worden, nu is het begrotingstekort geen issue meer.

De reden dat de kabinetsformatie zo lang duurt, is dat er tot nu toe nog niet over de inhoud van het beleid is gesproken, niet tijdens de formatie tot nu toe, maar ook niet in de verkiezingscampagne. En eigenlijk zou ook dat te laat zijn. Om een verstandig beleid te voeren en om de kiezer echt een keus te geven, moeten de verschillende beleidsalternatieven al in een vroeg stadium besproken worden; dat geldt niet alleen de beleidsalternatieven van de politieke partijen, maar ook van denktanks, wetenschappers e.d. Pas na een goed inhoudelijk debat, kunnen politieke partijen besluiten bepaalde voorstellen in hun verkiezingsprogramma op te nemen. En in de verkiezingscampagne kunnen de politici dan de door hun partij gekozen oplossing verdedigen. Op deze manier heeft de kiezer daadwerkelijk invloed op het beleid en kan er een beleid gevoerd worden dat consistent is.

Daar is nu geen sprake van. De verkiezingen zijn gehouden zonder noemenswaardig inhoudelijk debat over de hierboven genoemde onderwerpen. Debatten gingen hoofdzakelijk over de coronamaatregelen en voor zover over de andere – even urgente – onderwerpen gesproken werd, was dat zeer oppervlakkig. Vervolgens kwamen de verkiezingen en pas bij het (in)formatieproces komt de inhoud van het te voeren beleid ter sprake. De kiezer wordt straks geconfronteerd met een regeerakkoord waar allerlei verrassingen in staan en waar hij nauwelijks invloed op heeft kunnen uitoefenen. Dat staat op gespannen voet met de democratie en het zal zeker het vertrouwen van de burger in de overheid niet ten goede komen. Integendeel! Voorkomen moet worden dat – zoals bij de formatie in 2012 – afspraken worden gemaakt om allerlei zake overhoop te halen zonder dat de kiezer daar van te voren van op de hoogte was.

Als je daadwerkelijk het vertrouwen van de burger in de overheid wilt versterken, zul je opnieuw verkiezingen moeten houden die voorafgegaan worden door goede inhoudelijke debatten over de verschillende oplossingen die de politieke partijen hebben om de meest prangende problemen op te lossen. Wat nu gebeurt, is in feite de verkeerde volgorde. En dat gaat ten koste van de democratie, en ook van de kabinetsformatie.

 

Sammy van Tuyll

www.libdem.nl

maandag 15 maart 2021

Onbetrouwbare verkiezingen

Aanstaande woensdag worden, midden in de pandemie, Tweede Kamerverkiezingen gehouden. Zijn die wel democratisch? En is het zinvol om tijdens een pandemie verkiezingen te houden?

Een maand geleden was er nog een debat over de vraag of de verkiezingen wel door moesten gaan. Enkele burgemeesters uitten toen zorgen over de veiligheid van verkiezingen. Zij pleitten voor uitstel en wilden in ieder geval dat aan het Outbreak Management Team advies zou worden gevraagd. Dat advies is er nooit gekomen, ook al waren OMT leden bezorgd over het besmettingsrisico tijdens verkiezingen. Uitstel zou inderdaad zo gek niet zijn geweest. In Frankrijk zijn de regionale verkiezingen vanwege de pandemie uitgesteld en in Duitsland zijn de deelstaatverkiezingen in Thüringen doorgeschoven van 25 april naar 26 september. Maar niet in Nederland.

In deze discussies ging het vooral om de veiligheid van het stemmen zelf. Zou het wel veilig zijn om naar het stemhokje te gaan? Vanwege twijfel daarover wordt verwacht dat de opkomst bij deze verkiezingen vanwege corona lager zal zijn dan normaal. Dit betekent dat de uitslag als gevolg van de lage opkomst vertekend zal zijn.

Maar dat is niet de enige reden om te twijfelen over de waarde van deze verkiezingen. Er zijn twee belangrijkere bedenkingen tegen het houden van verkiezingen in corona tijd.

Ten eerste kan er met de huidige beperkingen niet of nauwelijks campagne worden gevoerd. In verkiezingstijden moeten de debatten niet alleen op TV of online worden gevoerd, maar ook in zaaltjes, op straat, op verkiezingsmarkten, etc. Daar is nu geen sprake van.

Ten tweede wordt het nieuws en de discussie grotendeels opgeëist door de pandemie. En de bestrijding van de pandemie is niet de essentie van het beleid dat de komende vier jaar gevoerd moet worden. 

Er zijn een aantal belangrijke onderwerpen die met de nodige urgentie moeten worden aangepakt: klimaat, arbeidsmarkt, woningmarkt, zorg, onderwijs, Europa, tweedeling in de samenleving. Deze vragen alle om een fundamentele discussie die verder gaat dan een enkel televisiedebat of een één op één gesprek. Maar als de aandacht overwegend naar de pandemie en de daartegen genomen maatregelen gaat, komen deze onderwerpen nauwelijks aan bod. Dit zijn echter wel onderwerpen die bij de formatie direct op tafel komen te liggen. Te verwachten valt dat er straks in een regeerakkoord ingrijpende maatregelen worden aangekondigd die in de verkiezingscampagnes niet of nauwelijks besproken zijn. Al vóór de verkiezingen kun je daarom de conclusie trekken dat de kiezers zich straks bedrogen zullen voelen, omdat zij niet op de hoogte waren van het voorgenomen beleid en de argumenten die daar voor of tegen pleiten, laat staan dat zij zich daarover hebben kunnen uitspreken.

De komende verkiezingen kunnen daarom niet of nauwelijks als democratisch gezien worden. De uitslag ervan zal onbetrouwbaar zijn, zeker gelet op alles wat de komende jaren op het spel staat. 

Het zou daarom beter zijn als in 2022 – als de pandemie hopelijk voorbij is – opnieuw verkiezingen worden gehouden.

 

Sammy van Tuyll

www.libdem.nl

 

 

 

maandag 21 december 2020

Aftreden alleen is loos gebaar

Het rapport ‘Ongekend onrecht’ liegt er niet om. De parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag constateert dat de grondbeginselen van de rechtstaat zijn geschonden. De commissie is eerst met verbazing en later met diepe verontwaardiging tot het besef gekomen dat de getroffen ouders jarenlang geen schijn van kans hebben gekregen om op een rechtvaardige manier behandeld te worden. En degenen die binnen de overheid er op wezen dat de gang van zaken niet klopte, zoals Sandra Palmen, werden op een zijspoor gezet. Ook blijkt dat de informatievoorziening aan de Tweede Kamer traag en soms onvolledig was. Het toedekken van het disfunctioneren van de overheid blijkt meer aandacht te hebben gekregen dan het tegemoetkomen van de gedupeerde ouders. Dit zijn praktijken waarvan je zou verwachten dat die in Nederland – ‘dit prachtige land’ – niet zouden voorkomen.

Inmiddels gaan er geluiden rond dat het kabinet in zijn geheel zou moeten aftreden. Al eerder is een heeft een kabinet dat in het zicht van de verkiezingen gedaan: het kabinet Kok II is op 16 april 2002 afgetreden nadat op 10 april van dat jaar het rapport van de het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) of de val van Srebrenica is gepubliceerd. Dat aftreden vond plaats 29 dagen vóór de Tweede Kamerverkiezingen van 15 mei 2020. Het kabinet Kok II zou op 15 mei toch demissionair worden en het aftreden van het kabinet haalde het demissionair worden 29 dagen naar voren. Veel betekenis had dit aftreden dus niet.  Velen zagen dat dan ook als een loos gebaar.

Als het kabinet Rutte III collectief zou aftreden, heeft dat verder ook weinig gevolgen. De Tweede Kamerverkiezingen staan gepland voor 17 maart 2021 en door het eventueel aftreden van het kabinet Rutte III zullen die niet naar voren gehaald worden. En in demissionaire status kan het kabinet evengoed maatregelen nemen om de coronacrisis te bestrijden: het kabinet zou immers na 17 maart hoe dan ook demissionair zijn en dan is de coronacrisis nog zeker niet voorbij. Als het kabinet Rutte III zou aftreden naar aanleiding van de Toeslagenaffaire, is dat dus niet meer dan een loos gebaar. Sterker, het zou voor de slachtoffers niet meer zijn dan een zoveelste klap in het gezicht: het kabinet doet alsof het ‘verantwoordelijkheid neemt’, maar in de praktijk heeft dat – in het zicht van de verkiezingen - geen betekenis.

Willen de verantwoordelijke politici daadwerkelijk op een betekenisvolle manier hun politieke verantwoordelijkheid nemen, dan zullen zij een gebaar moeten maken dat meer hout snijdt, zoals het opgeven van het lijsttrekkerschap. Pas dan zou het om een daad gaan die meer inhoudt dan een loos gebaar en er daadwerkelijk verantwoordelijkheid worden genomen voor falend overheidsbeleid. De politiek zou daarmee een stap nemen om het geschonden vertrouwen te herstellen.

 

Sammy van Tuyll

www.libdem.nl


 

dinsdag 20 maart 2018

GR18 en referendum: stem lokaal en afgewogen


Aanstaande woensdag begint niet alleen de lente, maar is ook de dag van de gemeenteraadsverkiezingen en het referendum over de sleepwet.

Het kiezen voor de gemeenteraad is niet altijd makkelijk. Ik weet zelf nog niet op welke partij ik in mijn woonplaats Haarlem zal gaan stemmen. Het is wel van belang om lokaal te stemmen. Ik bedoel daar niet mee dat uitsluitend lokale partijen in aanmerking zouden moeten komen. Maar wel dat bij het uitbrengen van de stem lokale overwegingen de overhand moeten hebben. Gemeenteraadsverkiezingen zijn niet bedoeld als tussentijdse peiling voor de landelijke verkiezingen, maar om een goed bestuur voor de gemeente te kiezen. Dat vergeten de landelijke partijen doorgaans. Zij voeren vaak campagne alsof het landelijke verkiezingen betreft. Ook de media doen daar gretig aan mee. Zo werd in Amsterdam enkele weken geleden een debat gehouden tussen personen die aanstaande woensdag nergens verkiesbaar zijn. Daar heeft de kiezer niets aan. Evenmin heeft de kiezer iets aan leuzen als ‘goed onderwijs’ en ‘goed klimaat’. Alsof dat gemeentelijke taken zijn!
De kiezer heeft er iets aan als duidelijk wordt gemaakt wat de verschillen zijn tussen de partijen die woensdag wel op het stembiljet staan en welke personen namens die partijen kandidaat zijn. Maar vooral als duidelijk is welke plannen de partijen met de gemeente hebben, welke visie zij voor de lange termijn hebben. Besluiten worden immers niet alleen voor de komende vier jaar genomen, maar hebben vaak gevolgen voor vele jaren daarna. Denk maar aan besluiten over bestemmingsplannen of over het aanleggen van een weg. Wie woensdag zijn stem op een serieuze wijze wil uitbrengen stemt dus lokaal, op basis van lokale overwegingen.

Dan kun je woensdag ook nog je stem uitbrengen voor of tegen de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv), ook wel de Sleepwet genoemd. Het is helaas vooralsnog het laatste raadgevend referendum. LibDem is goot voorstander van de parlementaire democratie die wij in Nederland hebben. Dat houdt in dat je vertegenwoordigers kiest die het bestuur controleren. Maar soms komen daar besluiten uit, die haaks staan op wat de meerderheid van de bevolking vindt. En dan is een correctiemechanisme in de vorm van een raadgevend referendum een heel zinnig aanvullend instrument. Raadgevend, omdat dat de mogelijkheid geeft dat de gekozen vertegenwoordigers alsnog de wens van de meerderheid niet volgen. Dat moeten zij dan goed motiveren.
Maar nu wordt het raadgevend referendum afgeschaft, nota bene door een minister van een partij zich er op beroept bij uitstek democratisch te zijn. Wij hebben er tot nu toe maar één keer gebruik van kunnen maken, te weten bij het referendum over het associatieverdrag met Oekraïne in 2016. Dat het raadgevend referendum – na één ervaring – nu al om zeep geholpen wordt, komt omdat de Haagse politiek het instrument niet goed begrepen heeft. Dat begon al met het feit dat veel politici destijds a priori al zeiden dat zijn de uitslag van het referendum zonder meer zouden volgen. Daarmee wordt het raadgevende karakter van het referendum miskend. Zij maakten er een soort bindend referendum van. Ten tweede komt het omdat de Haagse politiek zich niet echt in de argumenten heeft verdiept waarom de kiezer zijn (afwijzende) stem heeft uitgebracht. Dat was zo bij het referendum over het verdrag met Oekraïne, dat was ook zo bij het referendum over de Europese Grondwet in 2005. Het lijkt er op of de Haagse politiek bang is geweest om naar de argumenten te luisteren. Een gevolg is dat de politiek het afgewezen besluit – in beide gevallen was het een Europees verdrag – niet conform de wens van de kiezer heeft kunnen aanpassen – hetgeen bij een goede inhoudelijke discussie wel mogelijk was geweest – en dat leidt weer tot frustratie bij de kiezer, die zich in beide gevallen terecht niet serieus genomen voelt. Spijtig dus dat het raadgevend referendum voorlopig van de baan is.

En dan de Sleepwet zelf. Het gaat om het aanpassen van het instrumentarium dat de inlichtingendiensten AIVD en de MID hebben om over onze veiligheid te waken. Uiteraard moet dat aangepast worden aan de recente technologische ontwikkelingen. Terecht dat deze diensten daarmee de mogelijkheid krijgen ook op de kabel bepaalde berichten te onderscheppen. Maar met deze nieuwe bevoegdheden kan ook de privacy van onschuldige burgers worden aangetast. Organen als de Raad van State en de Raad voor de Rechtspraak – om er maar enkele te noemen – hebben daar in hun adviezen bij het wetsvoorstel kritische kanttekeningen bij geplaatst. En daar is in de parlementaire behandeling te weinig mee gedaan. Wij hebben nu de mogelijkheid om dat te corrigeren door tegen de wet te stemmen. Dat betekent niet dat het land onveiliger wordt, zoals op misleidende wijze door de voorstanders wordt gesteld. Dat betekent dat de kiezer het parlement adviseert nog eens goed naar de argumenten van de verschillende adviesorganen te kijken en de wet aan te passen zodat veiligheid en privacy weer beide gewaarborgd zijn. Een tegenstem is dus een stem voor een betere wet. En zoals de NRC in haar hoofdartikel van afgelopen zaterdag concludeert: Veiligheid is een groot goed. Maar privacy is dat ook. Daar kan niet zorgvuldig genoeg mee worden omgegaan.



Sammy van Tuyll

dinsdag 14 maart 2017

Afstrepen

Vanaf het moment dat LibDem besloot om vanwege het gebrek aan inhoudelijk debat niet mee te doen aan de verkiezingen, kregen wij van vele kanten de vraag om een stemadvies uit te brengen. Dat is geen makkelijke opgave: er is geen partij die een werkbare oplossing biedt voor de problemen waar Nederland nu mee te maken heeft: de tweedeling op de arbeidsmarkt, de zorg, het milieu, Europa om er maar enkele te noemen. Zelfs niet op één van deze terreinen. Sommige partijen hebben voor de zorg wel allerlei plannen, maar deze zijn vaak niet consistent en verschuiven de problemen alleen maar. Hetzelfde geldt voor een onderwerp als de arbeidsmarkt.

Er is dus geen partij waar wij uit volle overtuiging op kunnen stemmen. Het gaat er dan om de minst slechte partij te kiezen. Dat is een kwestie van afstrepen dus. Wij zullen dan ook geen eenduidig stemadvies geven, maar slechts enkele overwegingen met betrekking tot de op dit moment grootste partijen in de peilingen..

Vooraf nog twee opmerking:  over de afgelopen kabinetsperiode en over de rechtsstaat.

Het kabinet en veel media doen alsof het een geweldige prestatie zou zijn dat Rutte II de economie weer op orde heeft gebracht en dat zij de rit hebben uitgezeten. Hierbij vallen kanttekeningen te plaatsen. Ten eerste is de economie weer op gang gekomen doordat de wereldhandel aantrekt. Het kabinetsbeleid om zo onverantwoord veel te bezuinigen heeft de economie eerder schade berokkend dan goed gedaan. Zie hiervoor o.a. de analyse van de ING: Leidt snoei tot groei? Het kabinet Rutte II heeft een pro-cyclisch beleid gevoerd – hetgeen economisch onverstandig is – waardoor eerst veel wegbezuinigd is, waar nu weer in ‘geinvesteerd’ moet worden. Denk aan de verpleeghuizen. Denk aan defensie. Los van de onrust die dat voor betrokkenen heeft veroorzaakt is dit economisch inefficient. Ten tweede is het feit dat het kabinet de rit heeft uitgezeten eerder te danken aan de slechte peilingen van de coalitiepartners dan aan een duidelijke gemeenschappelijke visie en een overtuigend beleid. Geen van de coalitiepartners had, gelet op de peilingen, belang bij een breuk. Zij waren dus wel tot elkaar veroordeeld.

Het bezuinigingsbeleid van Rutte II heeft verder een aantal desastreuze maatregelen met zich gebracht. Zoals de decentralisatie van de Rijkstaken op het gebied van o.a. langdurige zorg, jeugdzorg en arbeidsmarktbeleid naar de gemeenten. Het valt te verwachten dat dit over enkele jaren weer teruggedraaid zal worden, zodat het per saldo veel onrust en ook geld zal hebben gekost. Denk ook aan de ellende met de pgb’s: nog steeds is de SVB niet in staat facturen aan zorgverleners tijdig en behoorlijk – d.w.z. het juiste bedrag -  uit te betalen.

Dan over de rechtsstaat. De Commissie ‘Rechtsstatelijkheid in verkiezingsprogramma’ van d Nederlandse Orde van Advocaten heeft een rapport uitgebracht waarbij de verkiezingsprogramma’s getoetst worden aan de gevolgen voor de rechtsstaat. Zij hebben die met een groene, oranje en rode kleur beoordeeld. Het laatste houdt in dat het betreffende verkiezingsprogramma plannen bevat die regelrecht in strijd zijn met de rechtsstaat. Van de getoetste politieke partijen heeft de PVV zes keer rood gekregen, VNL vier, de SGP en VVD ieder twee en het CDA één.

Uit het bovenstaande volgt dat het verstandig is niet op één van de coalitiepartners – VVD en PvdA – te stemmen. De kiezer kan daarmee een duidelijk signaal geven dat het kabinetsbeleid van de afgelopen jaren wordt afgekeurd. Voor de VVD geldt daarbij in het bijzonder nog de chaos die zij op het departement van Veiligheid en Justitie hebben achtergelaten – het samenvoegen van politie en justitie staat haaks op de noodzakelijke checks and balances waar wij als liberalen zo veel belang aan hechten. Bezwaar tegen de VVD zijn verder de plannen om de uitkeringen voor de bijstandsgerechtigden te verlagen en voor het invoeren van een kiesdrempel, hetgeen ten koste gaat van de democratie. Aan de PvdA kan het ineffectieve arbeidsmarktbeleid van vice-premier Asscher (Wet Werk en Zekerheid) verweten worden alsook de chaos met de pgb’s.

Over de grootste oppositiepartij – de PVV – met een verkiezingsprogramma van één A4 - hoeven wij niet veel te zeggen.

D66 zegt parmantig ‘verantwoordelijkheid te hebben genomen’, door deel te nemen aan de zgn. ‘constructieve oppositie’. Maar eigenlijk heeft D66 juist geen verantwoordelijkheid genomen doordat zij geen echte oppositie hebben gevoerd. D66 heeft daarmee het kabinetsbeleid ondersteund, hetgeen een contra-indicatie is om op D66 te stemmen. D66 heeft weliswaar in haar verkiezingsprogramma een aantal ideeën van LibDem overgenomen die de democratie in Europa versterken, in Nederland stelt zij maatregelen voor die minder gelukkig zijn. Zo wil D66 de Eerste Kamer afschaffen en een bindend correctief referendum invoeren. Dit zij weer  typisch half doordachte ‘leuke ideetjes’ van D66. Als zij tot uitvoering zouden komen, zal dat zeker ten koste van de democratie en de bestuurbaarheid van het land gaan.

Het CDA heeft zich wel als echte oppositiepartij opgesteld en daarmee haar verantwoordelijkheid als politieke partij genomen. Het CDA wil evenwel ten dele een districtenstelsel invoeren, alsmede een kiesdrempel. Beide maatregelen tasten de democratie aan.

GroenLinks heeft van de deelnemende partijen de meest ambitieuze milieuplannen. Voor een deel lijkt dat op de plannen van LibDem, nl het invoeren van een algemene heffing op de uitstoot van CO2. Alleen doet GroenLinks het niet in Europees verband, waardoor de maatregel ineffectief zal zijn. GroenLinks laat hierbij na om een Border Carbon Adjustment mechanisme in te voeren; daardoor wordt de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven  aangetast. Verder wil GroenLinks nog een aantal extra belastingen invoeren alsook rekeningrijden. Dit zijn overbodige maatregelen.

Dit zijn een aantal overwegingen om wel of niet op een partij te stemmen. Zoals gezegd, is er geen enkele partij die consistente oplossingen biedt voor de problemen waar wij nu mee te maken hebben. Het is daarom niet makkelijk om een keus te maken, en deze is niet overtuigend. LibDem ondersteunt daarom de oproep van Bewust Zwevende Kiezer, nl. om op kandidaat nummer 20 van de gekozen lijst te stemmen. Twintig staat symbool voor twijfel. Als genoeg kiezers op een kandidaat nummer 20 stemmen, wordt daarmee kenbaar gemaakt dat de stemmen met de nodige twijfel zijn uitgebracht. Daarmee kan een signaal worden gegeven.



Sammy van Tuyll

maandag 19 december 2016

Oekraïne: Rutte’s kat in de zak

Meer dan een half jaar na het referendum heeft Rutte eindelijk op 15 december van de Europese Raad gedaan gekregen dat er een verklaring werd afgelegd inzake de Associatieovereenkomst met Oekraïne. Op vijf punten (toekomstig lidmaatschap, veiligheidsbeleid, personenverkeer, extra middelen en corruptiebestrijding) verklaart de Raad wat er wel en niet in de overeenkomst staat.

Voor wat de meeste punten betreft is de verklaring een open deur. Dat geldt niet helemaal voor de verklaring over het toekomstig EU-lidmaatschap:

“Hoewel de Overeenkomst strekt tot de totstandbrenging van nauwe en langdurige betrekkingen tussen de partijen bij de Overeenkomst op basis van gemeenschappelijke waarden, verleent zij Oekraïne niet de status van kandidaat-lidstaat voor toetreding tot de Unie en houdt zij geen toezegging tot de toekomstige verlening van die status aan Oekraïne in.”

De verklaring van de Raad is een deel van wat LibDem op 20 februari in een open brief aan Commissievoorzitter Juncker gevraagd heeft. In het verleden is immers vaak besloten om aan een land de status van kandidaat-lidstaat toe te kennen, zonder dat de kiezer daar iets over te zeggen heeft gehad. Gelet op de weerstand van sommige lidstaten in de Raad, is deze verklaring dus niet overbodig.

Maar in de open brief aan Juncker is nog iets gevraagd, namelijk dat de Raad tevens zou verklaren dat dat voordat deze status aan enige nieuwe kandidaat-lid van de Unie wordt verleend –dus ook in de toekomst eventueel aan Oekraïne - de kiezer eerst de mogelijkheid wordt gegeven zich daarover uit te spreken bij een volgende verkiezing van het Europees Parlement. Het gaat om de goedkeuring die het Europees Parlement moet geven conform artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Als deze goedkeuring pas gegeven wordt nadat de vraag voorlag bij de verkiezing van het Europees Parlement, heeft de kiezer daar in ieder geval een uitspraak over kunnen doen.

Zonder het tweede deel van de gevraagde verklaring, is het eerste deel helemaal een open deur. De Raad kan dan immers altijd een procedure inzetten waar de kiezer niet bij betrokken wordt en Oekraïne alsnog het kandidaat-lidmaatschap toekennen. Rutte heeft dan een kat in de zak gekocht.

Met het tweede deel van de verklaring zou de democratie in Europa versterkt zijn. Ik kan mij nauwelijks voorstellen dat er leden van de Europese Raad zijn die daar tegen zijn. Heeft Rutte zich daar wel sterk voor gemaakt? Het lijkt er op dat dat niet het geval is.

Het is te hopen dat te Kamer een stevig debat voert over de Associatieovereenkomst en Rutte vraagt waarom hij alleen met open deuren terug komt. Er is niets op tegen om hem nog een keer terug naar Brussel te sturen. Laten de partijen die vinden dat de stem van de kiezer in het referendum van 6 april serieus moet worden genomen, dit ter harte nemen.


Sammy van Tuyll

maandag 16 maart 2015

Decentralisatie ondoordacht: de kiezer aan het woord?

Langzamerhand beginnen de gevolgen door te dringen van de decentralisatie van verschillende taken op het gebied van zorg en sociale zekerheid naar de gemeentes. Duidelijk is dat er grote verschillen zijn tussen de wijze waarop de gemeente hun nieuwe taken invullen en ook dat de budgettaire gevolgen voor de gemeentes zeer verschillend zijn. Dat is een logische consequentie van de decentralisaties. Ook begint duidelijk te worden dat sommige vormen van hulp in bepaalde gemeentes niet meer verstrekt gaan worden. Waar mensen eerst te maken hadden met eensluidende criteria (landelijk), pakt dat door de decentralisatie in een aantal gemeentes heel anders uit. De decentralisaties zijn niet goed doordacht, zij zijn schadelijk voor de economie en zullen tot hoge maatschappelijke kosten leiden. Daar is nooit een goed politiek debat over gevoerd en de kiezer heeft zich daar niet over kunnen uitspreken. Nu, met de Provinciale Staten verkiezingen op 18 maart – in zekere zin - wel.

Al ruim een tiental jaar hevelt het Rijk allerlei taken naar de gemeentes over onder het motto van bezuinigingen, waarbij – ten onrechte – gesteld wordt dat uitvoering door de gemeente efficiënter zou zijn. Dat begon met de Wet Werk en Bijstand (WWB) in 2004, toen de gemeentes met de bijstand werden opgezadeld. Per 1 januari 2015 zijn daar drie majeure decentralisaties bij gekomen en heeft de gemeente nieuwe taken gekregen op het gebied van Jeugdzorg, langdurige zorg en hulp bij het vinden van werk.

Deze decentralisaties zijn doorgedrukt om bij het Rijk bezuinigingen door te voeren. De taken zijn naar de gemeentes overgeheveld – of liever gezegd: over de schutting gegooid. Op het totale budget dat de gemeentes hiervoor krijgen, is fors gekort onder het motto dat de gemeentes ‘dichter bij de burger’ zouden staan en de taken dus efficiënter zouden kunnen uitvoeren. Deze decentralisaties zijn conceptueel niet goed doordacht. Er zijn drie basisproblemen: zij zijn economisch inefficiënt, zij leiden tot ongelijkheid tussen gemeentes en zij gaan ten kosten van de rechtszekerheid en de democratische controle.

Dat de decentralisaties economisch inefficiënt zijn moge duidelijk zijn: de 393 Nederlandse gemeentes moeten ieder hun eigen beleid ontwikkelen, waarbij ambtenaren ieder voor zich opnieuw het wiel moeten uitvinden. Het is veel efficiënter als dit beleid centraal door het Rijk wordt bepaald,. , waarbij een uniform, landelijk beleid uiteraard  zo ‘dicht bij de burger’ kan worden uitgevoerd door decentrale vestigingen van het Rijk. Het is een misvatting dat ‘dicht bij de burger’ en maatwerk per se inhouden dat de uitvoering door de gemeente moet worden gedaan. De decentralisatie is economisch inefficiënt en leidt tot hogere kosten, die uiteindelijk door de belastingbetaler gedragen moeten worden.

Als iedere gemeente zijn eigen beleid moet voeren, leidt dat uiteraard tot ongelijkheid tussen gemeentes. De ene gemeente zal bepaalde kosten vergoeden die bij de andere geweigerd worden, hetgeen onder meer zal afhangen van de financiële positie van de gemeente, het beroep dat op de zorg wordt gedaan en de toevallige voorkeuren van de behandelend ambtenaar dan wel de verantwoordelijke wethouder. Dat is een kennelijk bedoeld effect van de decentralisatie. Maar is dat wenselijk? De zorgkosten worden uiteindelijk gefinancierd door belastingen die het Rijk heft. Wij betalen allen dezelfde belasting, maar krijgen er een ander product voor terug, afhankelijk van de gemeente waarin wij wonen. Daarbij komt dat gemeentes die door hoge zorgkosten en andere kosten weinig middelen hebben, minder aantrekkelijk zijn als woonplaats; wie de keus heeft zal daar niet gaan wonen. Dat verzwakt op termijn de financiële draagkracht van de betreffende gemeente die zo nog meer in de kosten moet snijden. Tenslotte wordt deze ongelijkheid ten onrechte verward met maatwerk. Maatwerk houdt in dat je maatregelen neemt die toegesneden zijn op het specifieke geval. Maar maatwerk hoeft niet in te houden dat gelijke gevallen ongelijk behandeld worden, integendeel.

Door onzekerheid of kosten vergoed gaan worden, tast de decentralisatie de rechtszekerheid aan. Burgers weten niet meer waar zij aan toe zijn. Ten onrechte wordt daarbij gesteld dat het democratischer zou zijn omdat het beleid door de gemeente bepaald wordt en zo ‘dicht bij de burger’ wordt gecontroleerd. Je moet er toch niet aan denken dat bij gemeentelijke verkiezingen straks een rol gaat spelen dat mevrouw A een traplift heeft gekregen ten koste van de huishoudelijke hulp van meneer B.  Die discussie krijg je als je het beleid en de democratische controle daarop ‘dicht bij de burger’ wilt brengen.

De basisgedachte achter de hele operatie is geweest dat de Rijksoverheid niet goed (op afstand) kan managen, waardoor onnodige kosten worden gemaakt. Dat moge waar zijn, maar dan moet het probleem als zodanig worden aangepakt. Zet goede managers op de taken die het Rijk moet uitvoeren. Dat doet denken aan een andere operatie om dezelfde reden: de verzelfstandiging van de NS. Ook hierin moest ‘marktwerking’ worden geïntroduceerd omdat de NS als staatsbedrijf niet goed werd gemanaged. Ook dat was niet goed conceptueel doordacht. De gevolgen ervan hebben wij inmiddels ervaren en men denkt er aan dit terug te draaien. De onderhavige decentralisatie is net zo ondoordacht, met veel grotere maatschappelijke gevolgen.

Veel mensen in het land voelen dat het beleid niet goed doordacht is en desastreuze gevolgen zal hebben. Het merkwaardige is dat het toch doorgedrukt is, ondanks grote weerstand. Probleem is dat de politiek nooit ten principale een discussie over de decentralisaties heeft gevoerd. De decentralisatie wordt doorgevoerd als onderdeel van een vermeende bezuiniging. Een dergelijk beleid wordt al ruim een decennium gevoerd en bijna alle politieke partijen in de Tweede Kamer hebben zich eraan gecommitteerd. De kiezer heeft tot nu toe weinig keus voor een verstandiger beleid. Het gebrek aan discussie hierover tast in feite het vertrouwen in de democratie aan. Op 18 maart a.s. heeft de kiezer in ieder geval een kans om zich indirect hierover uit te spreken. In veel provincies doen regionale partijen mee, die zich ten behoeve van de Eerste Kamerverkiezingen in mei verenigd hebben in de Onafhankelijke Senaatsfractie (OSF). Stemmen op deze niet-Haagse partijen kan als een signaal worden gezien dat de kiezer zich niet in dit beleid van ondoordachte decentralisaties kan vinden.

Sammy van Tuyll, 16 maart 2015

dinsdag 30 december 2014

Leo Tindemans

Vrijdag 26 december is Leo Tindemans op 92 jarige leeftijd in zijn woonplaats Edegem overleden. Hij wordt door velen als een groot staatsman en een belangrijke Europeaan geprezen. Tindemans was een directe, charismatische persoonlijkheid, die niet alleen uitgesproken ideeën over de toekomst van Europa had, maar ook de kiezer wist aan te spreken. Het door hem behaalde recordaantal van één miljoen stemmen is in België door niemand geëvenaard. Ik heb zijn betrokkenheid van nabij mogen meemaken toen hij voorzitter was van de naar hem genoemde Tindemans Group.

De Tindemans Group was in 1994 aanvankelijk een initiatief van enkele leden van het Europees Parlement en ambtenaren bij de Europese Commissie, die vonden dat er een open en diepgaande discussie moest worden gevoerd over de toekomst van de Europese Unie. Op dat moment was voorzien dat ten behoeve van de toekomstige uitbreiding in 1996 een intergouvernementele conferentie zou worden gehouden om het Verdrag van Maastricht uit 1992 te evalueren, mede met het oog op de aanstaande uitbreidingen. Het was de bedoeling een denktank te vormen met leden uit alle 15 toenmalige lidstaten, zowel ambtenaren als politici die een rapport zou samenstellen teneinde de discussie over de toekomst van Europa te vergemakkelijken. Daartoe werden vijf verschillende scenario’s beschreven en becommentarieerd, variërend van een intergouvernementeel Europa tot de Verenigde Staten van Europa. Omdat de groep vrij uitgebreid zou zijn – tussen de 40 en 50 leden – zou een kleine kerngroep van circa 10 leden maandelijks bijeenkomen om de discussiestukken op te stellen. De plenaire groep zou slechts tweemaal bijeen komen: eenmaal om de hoofdlijnen van de discussie vast te stellen en eenmaal om het concept-rapport te bespreken. Tussentijds zouden zij op tussenproducten kunnen reageren.

De initiatiefnemers besloten om aan Leo Tindemans te vragen het voorzitterschap van de denktank op zich te nemen en aan mij als secretaris van de groep was de taak om hem daarvoor uit te nodigen. Om zijn functie als voorzitter te verlichten, zouden wij hem het voorstel doen om alleen de plenaire bijeenkomsten voor te zitten; de kerngroep zou de stukken voorbereiden in overleg met zijn medewerkers.

Tindemans zelf dacht daar heel anders over. Hij wilde graag de groep voorzitten, maar zei dat hij dan ook de maandelijkse vergaderingen van de kerngroep wilde voorzitten. Hij wilde de discussie die gevoerd werd geheel tot in de details kunnen volgen en er ook aan deelnemen. Met deze wens heeft hij grote indruk op mij gemaakt: dat iemand met zijn achtergrond en positie zich toch zo duidelijk met de inhoud van de discussie wilde bemoeien.

Wij hebben in de veertien maanden dat de Tindemans Group actief is geweest, nauw samengewerkt en regelmatig contact gehad. Tindemans gaf uitvoerig en gedetailleerd commentaar op de concept-stukken die voor de kerngroep bijeenkomsten werden voorbereid.

Ook maakte hij indruk door de wijze waarop hij de plenaire bijeenkomsten leidde. Hij deed dat op een open wijze, waarbij iedereen de ruimte kreeg en het om de uitwisseling van inhoudelijke argumenten ging. Zo bedankte Bill Cash, de bekende Britse euroscepticus, hem na de eerste bijeenkomst met de opmerking dat dit de eerste keer was in zijn lange carrière dat hij op een serieuze manier van gedachten kon wisselen over de Europese Unie.

Zijn inhoudelijke betrokkenheid en zijn bereidheid om op een open wijze te discussiëren tonen dat hij een groot politicus was, die velen in dit opzicht – ook nu nog, juist nu nog – tot voorbeeld kan strekken.


maandag 19 mei 2014

Beter voor milieu dan GroenLinks, beter voor de economie dan de VVD


In het verkiezingsspotje van LibDem dat de afgelopen weken op TV te zien was, wordt gezegd dat het beleid dat LibDem voorstelt beter voor het milieu is dan GroenLinks en beter voor de economie dan de VVD. Veel kiezers vragen mij hoe dat kan. Daarom is het goed dat nader toe te lichten.

Luchtvervuiling houdt niet op aan de grens, daarom is het alleen zinnig om het milieubeleid – dan wel het energiebeleid – en het beperken van de uitstoot van broeikasgassen in Europees verband te voeren. Het huidig milieubeleid is niet effectief. Het bestaat uit regelgeving – zoals normen voor producten en het verbod op gloeilampen- subsidies en een ingewikkeld systeem van handel in emissierechten. Het laatste houdt in dat bedrijven – niet alle, maar in sommige bedrijfstakken – emissierechten voor CO2 toegekend krijgen. Als zij overhouden, mogen zij de resterende rechten verkopen; als zij tekort komen, moeten zij rechten bijkopen. De prijs van de emissierechten schommelt daardoor nogal en is de laatste jaren, mede als gevolg van de recessie, laag geweest, te laag om de uitstoot van broeikasgassen echt te beperken.

LibDem vindt dat de enige manier waarop je serieus de uitstoot van broeikasgassen kunt beperken, een heffing moet zijn op alle uitstoot van CO2 uit fossiele brandstoffen. Dat moet een heffing zijn die geleidelijk op een voorspelbare wijze oploopt, zodat je weet wat over tien jaar de prijs van de CO2 zal zijn. Die moet zo hoog zijn dat de uitstoot van CO2  uit fossiele brandstoffen fors beperkt wordt. Bedrijven en consumenten zullen daar op anticiperen, zodat zij zuinige producten maken en – ook belangrijk – er op een zuinige manier mee om zullen gaan. Het gebruik van duurzame energie wordt dan relatief goedkoper, zodat deze aantrekkelijker worden. Subsidies daarvoor zijn niet nodig. Windmolens draaien dan niet meer op subsidie (vaak weggegooid geld), maar alleen op wind. Voorwaarde is wel dat de opbrengsten die de overheid binnen krijgt in de vorm van lastenverlichting aan burgers en bedrijven teruggegeven wordt, zodat de koopkracht niet aangetast wordt. Europa kan zo een effectief milieubeleid voeren, ook al zouden de landen buiten Europa niet zo ver willen gaan.

Door een dergelijk beleid zullen de Europese bedrijven – en met name de energie-intensieve – ten opzichte van de niet-Europese landen duurder worden, waardoor hun concurrentiepositie verslechtert. Dat gebeurt nu ook als gevolg van de regelgeving en de handel in emissierechten, maar dat is minder zichtbaar. LibDem stelt echter voor, teneinde het concurrentienadeel op te heffen, een correctiemechanisme aan de Europese buitengrens in te voeren. Hierbij wordt op goederen die van buiten de EU komen een heffing opgelegd die gelijk is aan de heffing die dezelfde goederen in de EU zouden hebben plus de heffing op de uitstoot tijdens het transport. Voor goederen die geëxporteerd worden, wordt de CO2-heffing teruggegeven. Het Europees bedrijfsleven heeft hierdoor geen hinder van het in Europa gevoerde (strengere) milieubeleid. Volgens kenners is een dergelijke Border Tax Adjustment in overeenstemming met de regels van de WTO. (Zie ook Cambridge Working Papers in Economics CWPE 0409.)
Een dergelijk correctiemechanisme kun je niet invoeren met het huidige beleid, gebaseerd op regelgeving en handel in emissierechten. Dat is veel te onduidelijk.

Het beleid dat LibDem voorstelt is beter dan het huidige beleid. Op alle uitstoot van CO2 uit fossiele brandstof wordt immers een heffing gelegd. Er is geen willekeur meer. Ook is het niet nodig om allerlei willekeurige productnormen op te leggen. Het is immers in ieders belang – en dat van onze aarde - om te zorgen dat de uitstoot van CO2 beperkt wordt. Dat betekent dat niet alleen de producten energiezuinig zullen zijn, maar dat er daadwerkelijk een continue, generieke en voorspelbare prikkel zal zijn om de producten ook energiezuinig te gebruiken. Subsidies en belastingfaciliteiten zijn dan overbodig. Dat voorkomt ook het misbruik ervan. Een voorbeeld daarvan is het onlangs bekend geworden oneigenlijk gebruik van belastingfaciliteiten voor hybride auto’s. Er zal niet meer gelobbyd hoeven te worden om normen voor producten op een bepaald niveau vast te stellen.

Dit beleid is veel effectiever dan het huidige beleid voor de reductie van broeikasgassen. GroenLinks wil in principe het huidige beleid voortzetten, maar dan een beetje meer. Als je een streng milieubeleid wilt voeren, kan het echter beter op een generieke, marktconforme wijze, zoals LibDem voorstelt. Dat beïnvloedt immers niet alleen de producten, maar ook het gebruik ervan.

Het beleid van LibDem is ook beter voor de economie dan het huidige beleid – in hoofdlijnen gesteund door de VVD- en wel om twee redenen. Ten eerste is het generiek en marktconform, zodat je geen subsidies en betuttelende regelgeving meer nodig hebt. Ten tweede is wordt er rekening gehouden met de concurrentiepositie op de wereldmarkt. Opvallend is dat geen van de andere partijen - met uitzondering  van (deels) de SP - zich zorgen maken over de gevolgen van het Europees milieubeleid voor de concurrentiepositie van het Europees bedrijfsleven. Terwijl dat wel belangrijk is!

Het milieubeleid dat LibDem voorstelt is, kortom, beter voor het milieu dan GroenLinks en beter voor de economie dan de VVD.